Een Katwijkse familiekroniek

Deze kroniek gaat over de Katwijkse familie Duinen en begint in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het neemt de lezer mee door de afgelopen eeuw tot in de huidige tijd.
Alles komt voorbij, de crisistijd, de oorlog,
de wederopbouw, de roerige jaren zestig en zeventig,
de zakelijke jaren tachtig en negentig en
het verwarrende begin van de huidige eeuw.

Duinen is ook een kroniek van het dorp Katwijk.

Deze kroniek verschijnt wekelijks als feuilleton in
De Katwijksche Post en wordt geschreven door
de Katwijkse auteur Adri van Beelen.

De namen in dit feuilleton zijn gefingeerdiedere overeenkomst
met 
personen uit verleden of heden berust op toeval.


1. Op een dag valt zijn moeder

De 8-jarige Willem Duinen zit, als het gebeurt, op het dunne vloerkleed in het huisje aan de Sluisweg in Katwijk aan Zee en speelt met een houten paardje. Zijn vriendje Gerrit Zuijderduijn (‘die geen vis lust’), een schriel ventje met een gelig gezicht, ligt voorover met de handen onder zijn kin naar de bewegingen met het paardje te kijken.

In de hoek van de kamer vouwt Geertje, de oudere nicht van Willem, wasgoed op. In de andere hoek staat de bedstee met daarin zijn moeder, die zes dagen geleden bevallen is van een meisje. Het kind ligt in een wiegje dat gemaakt is van een paar houten planken.

Enkele minuten eerder heeft de kraamvrouw gezegd dat ze uit bed wil komen omdat ze het naar haar zeggen benauwd heeft. Je kan haar zware ademhaling horen. Maar Geertje heeft het verboden. ‘U hebt koorts, meuje. U moet in bed blijven’.

Even later komt de gestalte in bed toch overeind. Ze tilt zichzelf omhoog uit de dekens en kijkt met hete, vochtige ogen de kamer in, naar de vloer waar haar zoon met zijn vriendje zit te spelen. Een golf van misselijkheid trekt door haar lichaam en ze laat zich weer even  terugzakken in de kussens. Maar dan komt ze toch weer overeind en slaat ze haar benen over de houten rand van de bedstee. Ze móét.

Ze werpt een blik in de wieg en laat deze rusten op het slapende kind. Daarna beweegt ze zich verder over de rand. Als haar voeten het vloerkleed raken voelt ze zich met de seconde slapper worden, alsof al het bloed uit haar hoofd wegtrekt. En nadat ze maar even los van alles naast de bedstee heeft gestaan, laat ze zich tussen bed en tafel langzaam naar de vloer zakken. Ze pakt de rand van het tafelkleed alsof ze in het water liggend zichzelf nog in een laatste wanhoopspoging omhoog wil trekken voordat ze verdrinkt. Het kleed schuift langzaam maar resoluut van de tafel en neemt een potje en asbakje mee naar de vloer. Het potje valt in scherven uiteen. Geertje laat het wasgoed uit haar handen vallen en rent naar haar tante toe.

‘Meuje, meuje!’ roept ze. Even weet ze niet wat ze moet doen en staat ze daar maar. Haar tante ligt in een ongewone houding roerloos op de grond en ademt alleen nog maar oppervlakkig. Het baren van zoveel kinderen heeft het nog relatief jonge lichaam behoorlijk uitgeput, de groeven in haar gelaat passen niet in het gezicht van een jonge vrouw.

Duinen 1

‘Willem, ga de buurvrouw halen!’ roept Geertje met overslaande stem. De jongen schiet overeind en rent naar de deur, het huis uit, langs de put en het halfhoge muurtje de slop in en slaat daarna het straatje in de richting van de Hoogstraat in. Hijgend tuurt hij door het raam van de buren. In de donkere schemerige ruimte is niemand te zien. Dan rent hij verder, achterom, via de slop naar de plaatsjes, waar de houten toilethuisjes zijn.

De buurvrouw komt juist uit het hare en brengt haar kleding in orde. Nu voelt Willem pas hoe zijn hart in zijn keel klopt, hij hapt naar adem. De buurvrouw schikt haar rokken en wil een emmer water pakken om in de wc te gooien.

‘Buurvrouw!’ gilt hij.

‘Willem?’ Ze kijkt hem gealarmeerd aan.

‘U mot kommen,’ zegt de jongen, ‘mijn moeder is gevallen!’


2. De dragers tillen de lijkkist 

van de kar bij het kerkhof aan de Zuidstraat, waarvan het toegangshek geflankeerd wordt door stenen skeletten, als herauten van de dood. Willem vraagt zich af wie dat ooit bedacht heeft. Een kerkhof is van zichzelf al eng, enger hoef je het niet te maken. Maar kennelijk vinden de autoriteiten dat het de Katwijkers dubbel ingepeperd moet worden dat op deze plek een dodenakker is.

Hij ziet de contouren van de kist, waarin zijn moeder ligt, tegen het zonlicht afsteken, de in het zwart geklede tantes en ooms en de kinderen van het gezin. Zijn broers en zusters allemaal met donkere kleren. Arend met heuse schoenen eronder in plaats van klompen. De dominee, de ouderling, alles en iedereen is in het zwart. Zijn blik wordt getrokken door de forse neus van een van de dragers. Willem vraagt zich af hoe is om zo’n neus te hebben. Vreemd dat zulke vragen hem op dit droevige moment te binnen schieten. Vragen houden nooit op, zij gaan door, ook op dagen als deze.

Hij denkt weer terug aan die middag in huis. De buurvrouw aarzelde geen moment en rende achter hem aan. Zijn moeder lag nog steeds op de grond en ademde bijna onzichtbaar. ‘Ach, lieve Heer’, riep de buurvrouw. Toen de dokter arriveerde, was al het leven uit zijn moeder verdwenen en lag ze als een slappe pop op de vloer, de ogen slechts half gesloten, haar armen en benen bedekt met paarse vlekken. Haar organen hadden het begeven, zei de dokter.

Duinen 2-Oude Begraafplaats
Oude begraafplaats aan de Zuidstraat

De stoet loopt de begraafplaats op. Aan de zuidzijde zijn de duinen, aan de oostzijde is de Roest van Limburgstraat. In het droge duinzand is een diep gat gegraven, dat er zo vakkundig uitgehouwen uitziet, dat het lijkt of de delvers jarenlang op strand hebben geoefend.

Willem denkt aan het moment waarop de dokter de dood constateerde. Juist op dat moment begon de baby te krijsen. Nog dezelfde middag ging Geertje op zoek naar een min om te voorkomen dat het kind aan ondervoeding zou sterven.

‘Ik heb er al twee’, zei de min met een vermoeid gezicht.

‘Toe’, zei Geertje, ‘de moeder is vanmiddag gestorven aan kraamvrouwenkoorts.’ Een uur later dronk de baby gulzig aan de borst van de min.

‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’, zegt de dominee. Ze zingen een psalm en de eenvoudige houten kist wordt neergelaten in het zandgraf. Willem kijkt naar zijn oudere broer Arend, die al op de visserij vaart en nu wat stuurs voor zich uit staart. Overmorgen vertrekt hij weer met de logger naar de visgronden. Willem kijkt naar zijn andere broers Huig en Piet, en naar zijn zusjes Gijsje en Fientje. De schriele tonen van de psalm verwaaien boven de boomarme begraafplaats. De klok van de Nieuwe Kerk slaat drie en er schuift een wolk voor de zon. De man met de neus draait zich om en loopt weg. Zijn werk zit erop.

Willem verlangt naar zijn vader, die een half jaar geleden in een zware storm verdronken is. Fientje begin zacht te huilen, ze veegt met haar rechterhand het vocht van haar wang. Willem pakt haar hand. Het is zaterdag 4 november 1922. Op exact hetzelfde moment vindt de Engelsman Howard Carter ver weg, in het Dal der Koningen in Egypte, de vrijwel ongeschonden graftombe van Toetanchamon.


3. Na de begrafenis

bepalen een oom en tante, iemand van de kerk en de buurvrouw wat er met de kinderen moet gebeuren. De meeste kinderen worden ondergebracht bij familieleden, maar voor Willem en Fientje is er geen plaats. Zij moeten naar het weeshuis, een groot gebouw aan de Voorstraat, waarvan de massieve gevel zich hoog verheft boven het straatniveau. Willem ziet zo nu en dan de regenten binnenkomen, heren in pakken, die vergaderen in de regentenkamer, rechts naast de hoofdingang. In de kamer staat een prachtige schouw van groene geglazuurde stenen. Daar zitten de regenten omheen en roken ze hun sigaren.

Duinen 3-Weeshuis
Gast- en Weeshuis aan de Voorstraat

Willem telt zestien kinderen in het weeshuis. Elke zondag gaan ze met de weesvader en weesmoeder naar de Nieuwe Kerk aan de overkant van de straat, allemaal in hun weeskledij, zodat iedereen vooral kan zien dat het weeskinderen zijn. Achter in de kerk nemen ze plaats op een speciaal voor weeskinderen gereserveerde bank. Altijd op de vaste plek achter in de kerk, dáár mogen ze zitten, nergens anders.

Zo verglijden de jaren in het leven van Willem Duinen. Hij hoeft niet veel te doen, alleen naar school gaan en buiten schooltijd met zijn vriend Gerrit en andere vriendjes spelen. Fientje en hij krijgen de nodige zorg in het weeshuis. Met dat verschil dat Fientje in het weeshuis moet werken en Willem niks hoeft te doen. Tenslotte is Fientje een meisje, ze moet de zolder boenen en de trappen dweilen, de was doen, het koper poetsen en de ramen zemen. Later zal ze zeggen: ‘De meisjes hadden het slechter dan de jongens. De meisjes moesten hard werken. De jongens werden in de watten gelegd, die hoefden niks te doen, omdat ze later buiten de deur moesten werken.’

Intussen wordt Willem ‘onderhouden’ door Nelie van der Plas, een mooi, slank meisje met lang donkerblond haar. Nelie verstelt Willems kleding, zijn sokken, kamizools en borstrokken. Elk meisje in het weeshuis heeft een of twee jongens voor wie ze dit moet doen. En Nelie doet het voor Willem. Telkens wanneer Nelie bij hem in de buurt komt, voelt hij een aangename vleug in zijn borstkast. Eenzelfde gevoel van opwinding, dat ook de zee en de wind op strand in hem aanwakkeren. Hij moet op school dan ook niet alleen regelmatig aan de zee denken, maar ook aan Nelie van der Plas. Hij vraagt zich af of ze graag zijn kleding verstelt, of misschien met haar zachte handen aan zijn borstrokken voelt of zijn kamizools tegen haar wangen drukt. Een aangename rilling trekt over zijn rug.

Op en ochtend stormt ouwe Siem Kuijt het weeshuis binnen. Siem woont alweer vijf jaar in het naastgelegen ‘gasthuis voor ouden van dagen’. Hij houdt graag het reilen en zeilen van de weeskinderen in de gaten.

‘Barnhoorn!’ roept hij. ‘Die doerak van Duinen zit op je dak!’ Zijn stem bast door de centrale hal van het weeshuis.

‘Wat is er met mijn dak?’ vraagt weesvader Barnhoorn.

‘Kom maar eens mee naar buiten, dan zal je eens wat beleven.’

Siem Kuijt stapt de voordeur uit en weesvader Barnhoorn loopt achter hem aan naar de stoeprand langs de Voorstraat. Daar draaien ze zich om.

‘Kijk’, zegt Siem wijzen. ‘Daar zit ie, de draaksteen.’

Bovenop de nokvorsten van het weeshuisdak zit Willem Duinen triomfantelijk om zich heen te kijken.


4. ‘Kijk’, zegt Siem wijzend. ‘Daar zit ‘ie!

De dreakstien‘.
Bovenop de nokvorsten van het weeshuisdak zit Willem Duinen triomfantelijk om zich heen te kijken. Van hieruit kan hij ver zien, hij ziet de duinen, de Vierboet en de toren van de Oude Kerk. Het is even een klim – je moet eruit via het raam aan de zijkant op zolder, vervolgens jezelf laten afglijden tegen de lange schoorsteen en dan via de pannen snel omhoog klauteren tot je de vorsten bereikt – maar als je eenmaal zit, zit je als een vorst óp een vorst. Zo, hoogzittend, kan Willem zelfs de watertoren zien. En dichterbij, op de Voorstraat, ziet hij een timmerman met zijn handkar de hoek omgaan, de Dwarsstraat in.

Duinen 4-Weeshuis
Gast- en Weeshuis

‘Willem!’ klinkt het van onderen. Het is de geïrriteerde stem van de weesvader. ‘Wil jij als de sodemieter maken dat je daar van afkomt!’

‘Zo is het maar net’, zegt Siem Kuijt. ‘Straks laezer je d’er nog af.’

Willem zwaait, ten teken dat hij zich overgeeft. Nu is het zaak rustig weer af te zakken in de richting van de schoorsteen en dan naar het raampje. Dat wordt nog een hele toer, weet hij. En daarna zal hij ook nog op zijn falie krijgen van de weesvader. Dat moet hij dan maar op de koop toe nemen. Dit hier, het uitzicht vanaf het dak van het weeshuis, dit nemen ze hem niet meer af.

‘Als je dat nog een keer doet, krijg je een week geen avondeten’, zegt de weesvader een kwartier later dreigend. Willem staat er schuldbewust bij.

‘Zo is het maar net’, zegt Siem. Hij tilt zijn wandelstok op. Barnhoorn draait zich om.

‘Ja, Kuijt, dank je. Ik kan het wel alleen af.’

‘Ja, dat weet ik wel’, zegt Siem. ‘Maar ik vind dat je gelijk hebt, dus ik zeg dat jij gelijk hebt. Dan weet Willem ook dat je gelijk hebt.’

‘Dank je wel Kuijt! Je kunt gaan.’

Tegen zijn zin sloft Siem Kuijt weer terug naar het gasthuis, waar doorgaans veel te weinig gebeurt. Bij de deur roept hij: ‘Ik hou ut in de gaete hoor. Doerak!’

‘Beloof me dat je dit nooit meer zal doen, Willem’, zegt Barnhoorn als Siem de deur achter zich heeft dichtgedaan. Willem belooft het.

Die avond blijft Nelie van der Plas op de trap stilstaan, juist op het moment dat Willem naar boven loopt. Ze glimlacht, ook hij staat stil, glimlacht terug.

‘Ik vind het stoer van je’, zegt ze zacht. ‘Wie durft dat nou, helemaal boven op het dak? Helemaal niemand.’ Het is of haar ogen niet echt bestaan. Het is of ze gevormd zijn door een kunstenaar die op een dag de geheimzinnigste ogen ter wereld wilde tekenen of schilderen. Willem durft er niet te lang naar te kijken. ‘We vinden het allemaal stoer, zelfs Henk Mes. Hij zegt dat hij het morgen ook gaat doen, maar ik kan aan hem zien dat hij het eigenlijk niet durft en dat hij jou stoer vindt.’

Willem glimlacht weer. Hij zou willen dat hij hier eeuwig moest staan, op de trap, kijkend in de ogen van Nelie. Nooit meer iets anders.’

Maar dan klinkt de stem van de weesmoeder. Haar ‘bedtijd!’ verstoort ruw de illusie.


5. Op de dag van de zonsverduistering,

29 juni 1927, zegt Willem tegen de weesvader dat hij naar zee wil. Hij wil visser worden, net als zijn vader dat ooit was.

‘Daar komt niks van in!’ zegt de weesvader. ‘Je bent nog te jong.’

Daar kan ie het mee doen. Maar hij houdt zich niet aan het gebod van de weesvader. Op een ochtend in de zomer, bijzonder vroeg, glipt Willem zijn bed uit. Zo zacht mogelijk sluipt hij de trap af en via het keukenraam verlaat hij het weeshuis. Dit heeft hij zo al dagen geleden precies uitgedacht. Voor dag en dauw moet hij weggaan, zodat ze hem niet kunnen tegenhouden.

Het is nog erg fris buiten, hij trekt zijn keesjakje recht en loopt in de richting van de Tramstraat. Van daar neemt hij de route naar de buitensluis en loopt hij via het duinpad naar Noordwijk. Via het strand loopt hij naar de Langevelderslag. Na tweeëneenhalf uur beginnen zijn voeten pijn te doen. Vermoeid gaat hij zitten in het zand en kijkt over de immens grote zee tot aan de horizon. Nog even en hij zal daar ook varen, op een echte logger.

Duinen 5-bomschuit op strand-2
Bomschuiten op het Katwijkse strand

Hij heeft als kind de bommen nog op het strand zien liggen, maar toen was de bomschuit al een aflopende zaak, hoorde hij de mannen op de wurft altijd zeggen. De logger rukt op, zeiden ze. Het zijn grotere schepen met een veel diepere kiel. Dat zijn pas echte schepen.

Hij loopt weg van het strand en ruim twee uur later is hij in het plaatsje Bennebroek. Daar vraagt hij aan een passerende man de weg naar IJmuiden.
‘IJmuiden?’ zegt de man verbaasd terwijl hij op de grond spuugt. ‘Wil je daar naar toe lopen? Dan moet je eerst via Aerdenhout en Bloemendaal naar Santpoort.’ Hij wijst naar het noorden. ‘En van daar is het nóg ruim een uur, schat ik. Kun je niet beter de tram nemen?’
Maar Willem bedankt de man snel en loopt door.

Er is geen tijd te verliezen, het begint zacht te regenen. Maar het regent niet lang. Hij voelt nauwelijks honger, wel dorst. In Aerdenhout drinkt hij water uit een regenton, gaat op een bankje zitten en rust wat uit. Na tien minuten loopt hij weer verder, in de richting van de haven van IJmuiden. Dáár begint het echte leven, het leven waar hij al die jaren op gewacht heeft.

Zijn voeten doen hem steeds meer pijn, maar hij moet nu doorzetten. Niet zeuren of huilen, anders zullen ze hem nooit laten aanmonsteren. Aan huilenbalken hebben ze niks. Arend huilt ook nooit. Hij is weliswaar tien jaar ouder, maar toch… Willem heeft Arend nog nooit zien huilen.

Hij begint steeds langzamer te lopen, het lijkt of alle energie met grote snelheid uit zijn lichaam weglekt. Zal hij het halen? Zal hij nog wel in IJmuiden aankomen? Een gevoel van onzekerheid, opeens weet hij het niet meer zo zeker.

Maar dan doemt opeens het beeld van Nelie van der Plas bij hem op, met haar lange haren, haar blauwe ogen met lange wimpers en haar zachte stem. En terwijl hij aan haar denkt, zoals ze bij het raam zit en zijn sokken en kamizools herstelt, lijkt het alsof hij zich weer wat makkelijker voortbeweegt. Misschien haalt hij het vandaag nog wel…


6. Maar dan denkt hij opeens

aan Nelie van der Plas en het lijkt of hij zich een stuk makkelijker voortbeweegt. Alsof hij zweeft. En als hij laat in de middag de haven van IJmuiden nadert, maakt hij een klein sprongetje.
De aanblik van de schepen in de haven en de geur van verse vis, lijken hem te dragen. Alle vermoeidheid is in één klap verdwenen. Pas als hij vlak voor een statige zeillogger stilstaat en het geluid van de zeemeeuwen hard en brutaal boven zich hoort, zakt hij door zijn benen.

‘Hé, jij daar! Wat doe je?’
Willem kijkt loom omhoog. Daar staat een grote vent met de handen in zijn zij.
‘Wat doe jij daar op de grond?’, vraagt de man.
Willem wijst naar de schepen in de haven.
‘Ik ben een Kattuker meneer, ik wil meevaren als afhouwer.’

Duinen 6-scheepsbemanning
Aan boord van een zeillogger

De man kijkt hem onderzoekend aan. Hij ziet een jochie, een kind nog. Nu varen er wel vaker jongens van zijn leeftijd op de loggers mee. Ze zijn goedkoop voor de reder, ze worden afgescheept met een grijpstuiver, een gage dat slechts een minimaal deel is van de opbrengst.
‘Heeft de reder jou soms gestuurd?’
‘Nee, ik ben zelf komen lopen.’
‘Waar vandaan?’
‘Uit Katwijk.’
De man valt even stil. Zijn ogen worden groter en zijn mond zakt open.
‘Ben jij uit Katwijk komen lopen!?’
‘Ja, meneer. Ik wil graag varen.’

Als hij uitgesproken is, voelt Willem zich plots duizelig worden. Alles om hem heen begint te draaien, net als vroeger toen hij als kleine jongen werd rondgeslingerd door iemand met krachtige handen. Hij sluit zijn ogen en er komen geen woorden meer over zijn lippen.

Niet lang daarna is Willem weer terug in Katwijk.
Barnhoorn spreekt hem bestraffend en bevoogdend toe. Hij mocht niet zomaar stiekem weggaan. Mooie boel zou het worden als iedereen zomaar ongevraagd zou vertrekken. En dan nog, wat zou hij moeten doen in IJmuiden? Denkt hij nou werkelijk dat ze hem zomaar, ongevraagd mee zouden nemen als afhouwer? Daarvoor moet je je eerst keurig aanmelden bij de reder.
En dan nog iets anders, weet hij niet dat school hem aanraadt naar de ULO te gaan? Hij kan dan wel een vak willen leren, maar hij schijnt over een goed stel hersens te beschikken. Hersens die hem door God zijn gegeven. En dat is reden genoeg om naar de ULO te gaan; ook de regenten zijn het ermee eens. Nou, wat vindt hij daarvan?

Willem schudt het hoofd.
‘Ik wil niet naar de ULO’, zegt hij. ‘Ik wil afhouwer worden en dan reepschieter, en dan jongste en dan oudste en matroos. En in de toekomst  stuurman of schipper.’

Eigenwijsheid kan hem niet ontzegd worden, er lijkt geen kruid tegen gewassen.
En zo komt het dat Willem Duinen op een dag toch naar zee gaat.

‘Je ken ze nou ienmael iet in een vak dwinge, die gasten’, zegt buurman Siem Kuijt tegen de weesvader.
‘Neem onze Arie. Die mos zo nodig wortele gaen trekken op Kattek Binnen. Nou vraeg ik je! Wortelen trekken.’
De weesvader legt zich er bij neer. Tenslotte gaan er ook jongere jongens naar zee. En op een ochtend is dan toch opeens het moment van afscheid aangebroken…


7. Bij zijn vertrek kust Fientje haar broer

op beide wangen en de jongens geven hem een zachte stomp op zijn arm. Nelie van der Plas stopt hem een paar nieuwe sokken toe.
‘Die zal je nodig hebben op zee’, zegt ze blozend.

‘En hier’, zegt de weesmoeder. ‘Hier heb je een baal shag. Je gaat nu naar zee, dus wordt het tijd om te gaan roken, als een echte man. Echte mannen roken.’

Met een glimlach op zijn gezicht neemt Willem de baal shag in ontvangst.
‘Ja, ik zal gaan roken’, zegt hij.

‘Jammer dat we nou iet maer op strand kenne speule’, zegt zijn vriend Gerrit Zuijderduijn. Hij kijkt erbij of ze hem zojuist van al zijn bezittingen hebben beroofd. Maar dan lacht hij.
‘Nee’, zegt Willem, ‘dat zal niet meer gebeuren, Gerrit. Ik ben nou visser, ik ga naar zee. En jij wordt de beste timmerman die er bestaat.’
‘Ik zal mijn best doen’
, zegt Gerrit.

Gerrit is ‘een raere’, zegge de mensen op Kattuk. Dat vinden ze ook in het weeshuis. Ooit toen hij een keer mocht mee-eten en schelvis kreeg voorgezet, zei hij, zomaar uit het niets: ‘Ik mot gien vis.’
‘Wat zeg je?’
vroeg de weesmoeder.
‘Ik houw iet van vis.’
‘Niet van vis? Welke Katteker houdt nou niet van vis?’
‘Ik.’
‘Ook geen haring?’
‘Bah.’
‘Dat mag je niet zeggen’, zei de weesmoeder.
Willem geeft Gerrit een ferme handdruk.

De volgende dag kiest hij op een van de laatste zeilloggers die nog in de vaart zijn het ruime sop. Als het schip de haven uitvaart, kijkt hij naar het land dat steeds verder van hem verwijderd raakt.
Hij is nog misselijk van zijn eerste twee shaggies, die de reepschieter voor hem heeft moeten draaien omdat hij zelf de routine nog mist. Hoestend trachtte hij de rook te inhaleren, de tranen sprongen hem in de ogen.

De eerste dagen doen de mannen zwijgend hun werk. Er is ook een IJmuidenaar aan boord. Soms zegt hij: ‘Jullie Kattekers hebben nog geeneens een eigen zeehaven, wat een armoe!’
Als hij lacht, ziet Willem zijn zwarte tanden.

Als er gevist wordt zijn de mannen druk bezig. Ook Bram Plas, een stokoude visserman die aan een van zijn laatste reizen bezig is.
Van Bram krijgt Willem te horen wat hij precies moet doen. Hij moet het schieten en halen van de vleet in goede banen leiden. Het is belangrijk dat het net goed in het water terecht komt. Koud, nat werk is het, daar komt Willem al snel achter. Hij zit halve nachten aan dek, in regen en wind. De eerste dagen ook nog kotsend door zeeziekte.

Op zijn tweede reis begint het tijdens de zesde dag te stormen. Het schip gaat steeds meer stampen en rollen en is overgeleverd aan de elementen. De bemanningsleden houden zich stevig vast, anders zullen ze onbarmhartig tegen allerlei keiharde obstakels gekwakt worden of – erger nog – rechtstreeks in zee verdwijnen. En wie dat overkomt, is bij voorbaat al reddeloos verloren. Geen van de bemanningsleden kan zwemmen.
Willem grijpt een metalen stang die zich tussen de reling en een bolder bevindt, maar zijn voeten glijden steeds weg op het gladde dek, dat nu eens naar links en dan weer hevig naar rechts overhelt.

Hij is bang. Hij is nog nooit zo bang geweest…


8. Onwillekeurig moet Willem aan zijn moeder denken.

Bram Plas komt naar hem toe en slaat hem bemoedigend op zijn schouder. Hij is een oude rot in het vak. Hij heeft vaker zo’n storm meegemaakt en het dringt nu pas tot hem door dat Willem eigenlijk nog maar een kind is. En juist op dat moment denken de bemanningsleden dat hun laatste ogenblik is aangebroken.
Vlak voor de boeg rijst een muur van aardedonker water op. Willem schat de muur tientallen meters hoog – ongeveer zo hoog als het dak van het weeshuis. Deze golf zal de logger als een lucifertje breken en naar de diepste diepten van de oceaan laten verdwijnen.

Duinen 8-schip in storm

Heer, wees ons genadig’, hoort Willem de schipper roepen. Hij staat op de brug en spert zijn ogen wijd open, alsof hij een monster ziet naderen. Willem klemt zich vast aan een metalen paal en knijpt zijn ogen dicht. Het is nu wachten tot het schip omslaat.
Maar dan voltrekt zich een klein wonder. Het schip wordt opgetild, hoger en hoger, net zolang tot het op een soort plateau van water ligt en in één vloeiende beweging vooruit glijdt en rollend en stampend verder vaart. Dit gebeurt zo een paar keer. Daarna wordt de storm langzaam minder. De schipper haalt opgelucht adem. Hun redding is volgens hem een teken van boven.

Als de storm is afgenomen en iedereen weer min of meer normaal over het schip kan lopen, moet een deel van de bemanning de gescheurde netten gaan repareren en gaat de rest naar beneden om de vis te sorteren. En na enkele uren is de storm overgegaan in een frisse bries.

Bij het schieten van de vleet, onder de Doggersbank, komt de stuurman naar Willem toe. ‘Heb jij Bram gezien?’ vraagt hij.
Willem schudt het hoofd. ‘Nu niet. Wel vanmorgen.’

‘Misschien ligt ie in z’n kooi, die ouwe’, roept Dirk Remmelzwaal, een van de matrozen. ‘Hij ken er iet meer zo goed teuge.’

Een van de bemanningsleden gaat naar beneden om Bram te zoeken.
‘Hou jij wel effe die vleet in de gaten’, zegt de stuurman tegen Willem. ‘Wij zoeken, jij houdt af.’
Willem knikt en wrijft over zijn gezicht, dat meteen zeer begint te doen, alsof er iets vreselijk bijt. Het lijkt wel of de vlammen hem uitslaan. Hij moet iets over zijn gezicht gesmeerd hebben dat nog in de netten zat, restjes kwal of zoiets. Hij jammert van de pijn.
Het schip gaat nog redelijk te keer en bij vlagen regent het. Willem denkt aan de woorden van de weesvader. De regenten vonden het goed dat hij naar de ULO zou gaan. Op de ULO hoeft hij niet bij nacht en ontij aan de vleet te zitten. Dan zit hij in een verwarmd klaslokaal.

Enkele uren later, na het halen van de vleet, roept de schipper de mannen bij elkaar. ‘Mannen’, zegt hij op sombere toon. ‘Het ziet er naar uit dat onze Lieve Heer vriend Plas tot zich heeft genomen.’

‘Maar hoe kan dat?’ vraagt Willem. ‘Hij was vanochtend nog bij me.’
‘Vermoedelijk is-ie overboord geslagen tijdens de storm’
, zegt de schipper. ‘Hij was niet meer zo vast ter been, die ouwe. Het is vreselijk voor zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.’

Willem denkt aan zijn vader, die ook verdronken is tijdens een storm. En op dat moment neemt hij een besluit…


9. ‘Binnen!’ 

De weesvader legt het boek dat hij aan het lezen is op het tafeltje naast zijn stoel.
Enkele seconden later staat Willem voor hem.
‘Ik heb eh… Ik heb opgezegd bij de reder.’

‘Wat!?’ Barnhoorn denkt even dat hij het verkeerd verstaan heeft. ‘Wát heb je?’
‘Ik heb opgezegd, als afhouwer. Ik stop ermee. Ik wil niet meer. Niet meer op de visserij tenminste. Dat is niks, de visserij. Het is erg zwaar en je bereikt er niks mee. Pas na twintig jaar of langer kan je schipper worden. En dan nog… Dan zit je nog maar op de visserij.’

‘Denk daar niet te min over, jongen’, zegt de weesvader. ‘Je eigen vader was ook visser. En diens vader ook, én die zijn vader…’
Willem schudt het hoofd.
‘Nee, ik denk er niet te min over, ik denk alleen dat het niks voor mij is. Niet de visserij tenminste. Ik wil naar de marine.’

Het woord ‘marine’ lijkt te weerkaatsen tegen de muren van de kamer en blijft hangen onder het plafond.
‘Marine’, zegt de weesvader op neutrale toon. ‘Je hebt pas drie reizen meegemaakt en nu wil je naar de marine.’
‘Ik ben er voor in de wieg gelegd’, zeggen ze.
‘Wie zeggen dat?’
‘Ouwe Henk Marele uit de Badstraat. En Siem Kuijt.’

De weesvader barst in lachen uit. ‘Hahaha, Siem Kuijt, wat weet die er nou van? Die heeft zijn hele leven alleen op de werf van Taat rondgelopen om hout te verslepen, zonder ook maar één keer op zee te zijn geweest. Die werd al zeeziek als hij een bomschuit over de Voorstraat naar strand zag rollen.’

‘Hij zei dat ik geknipt ben voor de marine. Ik wil kannoneerbootcommandant worden en kapitein-luitenant ter zee en dan, als ik alles gehad heb, word ik schout-bij-nacht.’
‘Goed jongen. En stel nou dat je inderdaad geknipt bent voor de marine. Denk je dan dat je nu op je vijftiende zomaar naar de marine kan?’
‘Nee.’
‘Precies, éérst de ULO. Van de week spreek ik de regenten. Dan zal ik het zeggen.’

Enkele weken later begint Willem Duinen op de ULO op de Bestevaerweg.
Als hij aan zijn tweede jaar bezig is, wordt Nelie van der Plas ziek. Het was hem al opgevallen dat ze de laatste tijd veel hoestte, ook aan tafel. Tijdens het bijbellezen moest ze noodgedwongen de eetzaal uit. Ze lag ook steeds vaker op bed. Nu komt ze haar bed helemaal niet meer uit.

‘Wat is er met Nelie?’ vraagt hij aan Fientje.
‘Ik weet het niet. We zien haar helemaal niet meer. Ze slaapt ook niet bij ons op zaal, maar apart. De dokter is geloof ik al drie keer geweest. Ze zeggen dat ze de vliegende tering heeft.’
‘Dat moet je niet zeggen!’ zegt Willem snel. ‘Dat heeft ze niet. Dat kan niet!’
Hij ademt zwaar door zijn neus en voelt zijn ogen branden.
Fientje kijkt naar zijn wangen, die vuurrood lijken te worden.
‘Laten we het hopen’, zegt ze. ‘Volgens de dominee moeten we veel voor haar bidden.’
‘Dat hoeft niet’, zegt Willem. ‘We hoeven niet te bidden, want het komt goed! Het komt vanzelf goed.’

Anderhalve week later wordt de doodbidder ontboden…


10. De doodbidder

is een lange, magere man in zwarte kleding, waar zijn smalle witte gezicht scherp bij afsteekt. Hij spreekt met een zachte maar dwingende stem.
Willem weet waar hij voor komt. Hij rent de trap op naar zolder en kijkt door de kleine raampjes naar buiten, tot voorbij de nieuwe huizen aan de Varkevisserstraat en de Schoolstraat waar de duinen beginnen.

In de lucht schieten enkele spreeuwen voorbij. Hij kijkt naar het graf waar jaren geleden zijn vader en zijn moeder zijn begraven. Hij bijt op zijn frok en op zijn handen. Dan pakt hij zijn zakmes uit zijn zak en kerft in een hoekje van de zolder op een van de balken in blokletters haar naam: ‘NELIE’

Nelie van der Plas sterft aan tuberculose, ze is 15 jaar. In hetzelfde jaar sterft ook Willems broer Piet en een jaar later zijn jongste zusje Antje, beiden eveneens aan tuberculose. Piet is 18, Antje slechts 9 jaar. In Leuven verdedigt Georges Lemaître zijn oerknaltheorie en in Duitsland komt een zekere A. Hitler met de NSDAP in het parlement. In Katwijk wordt dat jaar het Groot Badhotel gesloopt, waar in de loop van de jaren honderden badgasten verbleven.

Er gaan 6 jaar voorbij.

Bij de marine wordt Willem Duinen volwassen. Hij leert er wat het is om gedrild te worden. Hij leert de dagen volgens een bepaalde vast patroon in te delen. Hij leert te leven in uniform, te salueren op de gepaste momenten en te praten als een ‘zeemilitair’. Hij leert andere dingen te eten dan de vis met aardappels of spek met bonen die hij sinds zijn jeugd in Katwijk of aan boord van de logger kreeg voorgeschoteld.

Bij de marine is het ook veel rijst wat de klok slaat, vooral in Indië: rijst met rotmok, bestaande uit rundvlees, rode pepers, ketjap, ketoembar, kerrie. Hij went aan pittig eten, zo heel anders dan thuis in het weeshuis. Hij leert te gehoorzamen aan zijn meerderen en perfect voor zijn kleding te zorgen. Nu poetst hij dagelijks zijn schoenen en scheert hij zich nauwkeurig. En hij baadt in fris, helder water. Waar het wassen er vroeger op de visserij vaak bij inschoot, staat hygiëne nu voorop.

Het weeshuis is nu verleden tijd, Willem heeft een kamer met bed bij zijn ome Dirk en tante Jaantje aan het Oostpad. Ook zijn zuster Fientje is volwassen geworden. Ze is getrouwd met huisschilder Amerik Schaap en verwacht in de zomer van 1939 haar eerste kind. Amerik en Fientje wonen in de Stengelinstraat.
Willem ziet zijn zuster nog geregeld. Soms gaat hij bij haar eten. Ze spreken nauwelijks meer over het weeshuis, het lijkt een afgesloten deel van het leven, als een dichtgeslagen boek. Ze kijken er niet met wrok op terug, maar ook niet met bijster veel vreugde. Willem denkt soms nog terug aan Nelie; aan haar heerlijke gestalte, zittend bij het raam, lachend en hem wenkend. De dingen zeggend die ze hem in werkelijkheid nooit heeft kunnen zeggen.
Hij weet wat ze voor hem voelde. Maar heel langzaam vervagen ook die beelden, tot hij al bijna niet meer weet hoe ze er precies uitzag. Foto’s zijn er niet. Foto’s maakte men niet in het weeshuis.


11. De jaren zijn voorbijgegaan.

Willem Duinen is inmiddels een paar jaar bij de marine. Als hij naar Katwijk komt, woont hij bij zijn ome Dirk en tante Jaantje in het Oostpad.
Op een steenworp afstand van het weeshuis, waar Willem Duinen een groot deel van zijn jeugd heeft doorgebracht, woont Anna Boomakkers. Ze is de dochter van groentehandelaar Hendrik Boomakkers en zijn vrouw Marie.

Anna is een slanke meid met donker haar en heldere blauwe ogen; een knappe verschijning die de harten van menig jongeman sneller doet kloppen. Vooral wanneer ze meehelpt in de groentewinkel en de mannelijke klanten te woord staat.
Het is duidelijk dat sommige jongens hun ouders zelfs aanbieden boodschappen voor hen te doen. En ook mannen doen hier graag boodschappen voor hun echtgenotes. ‘Ach, ik ga effe langs bij Boomakkers, ik ben toevallig toch in de buurt.’ Er is geen winkel in heel Katwijk waar zoveel mannen komen, en het begint langzaam echt op te vallen.

Anna’s vader Hendrik Boomakkers kent de groentewereld als geen ander. Hij heeft als jongen nog op het land gewerkt tussen Noordwijk en Noordwijkerhout. Later moest hij ook nog zwoegen in de Zanderij en kwam hij regelmatig op de Kattekbinse veiling. Hij droomde toen al van een winkel van zichzelf.
Nu heeft hij niet alleen een winkel, maar gaat ook met een kar langs de deuren. Zo leert hij de Katwijkers goed kennen, want van oorsprong is hij een Rijnsburger. En dat zal hij weten ook.

De Katwijkers bij wie hij aan de deur komt, peperen hem dat steeds maar weer in. Ook oude Leuntje van der Bent uit de Annastraat, bij wie hij vaak een pond appels of peren en een zakje aardappels aflevert.
‘Rainsburgers zelle nooit âgge mit de Kattekers worden, dat weet je toch ook wel Hendrik?‘, zegt ze herhaaldelijk. Eerst zegt Hendrik niks terug, hij lacht maar een beetje of maakt er een grapje van. Maar op een dag kijkt hij haar indringend aan en vraagt hij met meer lef dan goed is voor zijn zaak: ‘Zeg Leuntje, ben jij eigenlijk zelf weleens in Rijnsburg geweest?
‘Neen, Hendrik’, antwoordt ze, ‘ik ben in mijn hele leven maer ien kaer in Kattuk Binnen eweest.
‘Eén keer in Kattuk Binnen!? Nooit ergens anders?
‘Nooit. Nooit van Kattuk weg eweest, gelukkig. Nes ik zeg: iens te Kattuk Binnen. Ik weet het nog goed, we ginge lôpes. De lange weg langs de tol. De blauwe tram had je volgens mijn nog iet. We benne langs al die deftige huizen daer elôpe. En toen hebbe we ook nog de molen ezien. Dat was mooi. Het was een mooie dag.’
‘Maar as je nog nooit in Rijnsburg ben geweest, kun je er toch niet over oordelen?’
‘Tuurlijk wel. Ik hoor de verhaele toch?’
Hendrik schudt het hoofd en rijdt verder met zijn kar.

Anna Boomakkers is geboren in 1922 en was een gezonde baby, aldus de baker, steevast door iedereen ‘de baakster’ genoemd. Hendrik was zó blij met de geboorte van zijn dochter dat hij tijdens de repetitieavond bij de UNI, waar hij al jaren trombone speelt, op een drankje trakteerde.
Toen het orkest in juni van dat jaar op een concours in Lisse een gouden medaille in de wacht sleepte, beweerde Hendrik Boomakkers dat dit alles te maken had met de de geboorte van zijn dochter.
‘Ze brengt geluk’, zei hij. ‘Terwijl haar naam ‘de lieflijke’ betekent, brengt zij toch ook geluk.’

‘Op haar gezondheid’, zei de dirigent, en hij heft het glas.


12. Willem Duinens vriend Gerrit

Zuijderduijn behoort tot de jongens die heimelijk verliefd op haar zijn, maar op een dag kan hij het niet meer voor zich houden. Als hij samen met Willem door de Zeesteeg loopt, zegt hij opeens, plompverloren: ‘Ik heb een oogje op de dochter van Boomakkers.’
‘Wie bedoel je?’ vraagt Willem, bijna achteloos. Hij heeft de laatste jaren al meerdere meisjes leren kennen, ook buiten Katwijk.
‘Hun dochter, je weet wel’, zegt Gerrit.
‘Dochter? Bedoel je eh… Anna?’
‘Ja, die’, zegt Gerrit glunderend.
Het is duidelijk te merken dat hij haar helemaal voor zich ziet, zo’n wazige blik heeft hij. ‘Dat is een mooie meid hoor.’
‘Maar die is toch veel te jong? Dat is nog een kind als ik het goed heb. Die heb ik weleens gesproken, maar dat is lang geleden. Dat was toen we nog bij de Nieuwe Kerk knikkerden. We scheelden een heel stuk in leeftijd.’

‘Hoelang is dat precies geleden?’ vraagt Gerrit.
Willem denkt na. Het was nog voordat hij als afhouwer naar zee ging.
‘Zo’n tien jaar terug’, zegt hij.
‘Tien jaar terug?’ zegt Gerrit. ‘We leven in 1938, Willem! Ik geloof dat ze nu 16 of 17 is, een hele dame al. En ze is heel anders dan de meeste Kattekse meiden, die vaak van die grote bekken opzetten. Anna is, hoe noem je dat, beschaafder. Ik denk dat ik haar ga meevragen naar de film in Leiden.’
‘Toe maar, de film. In Trianon draait ‘Duikboot D1′ met Pat O’Brien.’
‘Pat O’Brien?’
‘Ja, dat is in Amerika een bekende filmacteur.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik was er gisteren nog. Maar je kunt beter naar Lido gaan. Daar draait ‘Een stad op stelten’ van de Dikke en de Dunne. Kan je lachen. En er is ook een speciale filmreportage van Polygoon over de doopplechtigheid van prinses Beatrix.’

‘Ik weet niet of ze wel naar de film wil’, zegt Gerrit nu vol twijfel. ‘Misschien mag ze niet van haar ouders.’
‘Nou ja, hoe dan ook, hoe ga je haar verleiden?’ vraagt Willem. ‘Met toffeetjes op de wurft?’ Ze lachen.
‘Nou’, zegt Zuijderduijn. ‘Dat is nog geeneens een dwaas idee. Ze loopt er vaak met een vriendin. Weet je wat? Ga zondag mee naar de wurft, dan zullen we eens aanpappen. Misschien is die vriendin wat voor jou? Ze komt uit Rijnsburg, Millie van Egmond of zoiets.’
‘Millie?’
‘Ja, d’r moeder is Engels geloof ik.’

Diezelfde zondag lopen Willem en Gerrit rustig wat te wandelen tussen de muziektent en De Zwaan. Bij het laatste gebouw staan ze stil. In de verte nadert inderdaad Anna Boomakkers met een vriendin aan haar zijde.
‘Daar komen ze’, zegt Gerrit. ‘Niks zeggen. Ik zal wel zeggen dat je bij de marine zit en dat je morgen je uniform weer aantrekt. Dat maakt vast indruk op de dames.’

De meisjes naderen en Gerrit schiet hen aan.
‘Dag dames. Hoe is het met jullie?’ zegt hij op on-Katwijkse toon. ‘Dat is alweer lang geleden.’
Ze kijken hem wantrouwend aan. Niemand die hen op zo’n amicale manier benadert, maar Zuijderduijn is altijd wat vrijpostig geweest, dat weten ze. Nieuwsgierig kijken ze naar de jongen naast hem. Hij komt Anna vaag bekend voor. Wie is hij…?
Dit is mijn vriend Willem Duinen’, zegt Gerrit. ‘Hij zit bij de marine. Vorig jaar mocht hij in Den Haag samen met andere matrozen een erehaag vormen bij het huwelijk van Juliana en Bernhard in de Grote Kerk in Den Haag. Nou, dan ben je echt wel iemand. Ik denk altij…’
‘Duinen?’ vraagt de vriendin dwars door zijn verhaal heen. Ze is iets kleiner dan Anna Boomakkers. ‘Is dat de sjieke tak van de familie?’
‘Welke familie?’ vraagt Willem.
‘Van Duijn. De familie Van Duijn. Dat is toch een Katwijkse familie? Niemand heet toch Duinen?’
‘Nee, inderdaad, die naam komt maar één keer voor in Katwijk. Toch stamde mijn vader uit een echt vissersgeslacht, maar zijn opa kwam uit Egmond en diens voorvaderen kwamen weer van Texel. Vandaar.’

Hij kijkt naar Anna en wordt getroffen door haar pure schoonheid. Is dit dat meisje waar hij jaren geleden mee gespeeld heeft? Ze doet hem vaag denken aan Nelie van der Plas.


13. ‘Wij hebben vroeger nog geknikkerd, geloof ik’,

… zegt Willem tegen Anna. Ze lacht.

Duinen 13-muziektent op Boulevard
Katwijkse Boulevard (Van Wassenaerkade) met muziekpaviljoen

Gerrit vindt het nu tijd om in te grijpen. Hij stelt meteen voor om met elkaar wat te wandelen en richt zich daarbij op Anna, Millie aan Willem overlatend.
Ze lopen in de richting van de muziektent. En terwijl Gerrit Zuijderduijn aan een stuk door tegen Anna praat, kijkt zij af en toe toch met een schuin oog naar Willem, die een blik van verstandhouding met haar wisselt.

Anna is veranderd in een mooie jongedame. Doordat Willem regelmatig langere tijd van Katwijk weg is, veranderen de zaken voor zijn gevoel nauwelijks. Pas als hij weer in het dorp is, vallen hem de veranderingen op. Dat geldt ook voor de metamorfose die Anna Boomakkers heeft ondergaan.

Als het tijd is om weer naar huis te gaan, zegt Anna zomaar, uit het niets tegen Gerrit: ‘Ik weet niet wat jij je allemaal in je hoofd haalt, meneer Zuijderduijn, maar ik heb al een vrijer.
Even is hij compleet uit het veld geslagen. Hij en Willem weten niet of ze nu de waarheid spreekt of niet. Maar Anna spreekt wel degelijk de waarheid. De betreffende ‘vrijer’ is Jan Oldenboer, die nog bij Anna in het zevende leerjaar heeft gezeten.
Hij is een aantrekkelijke jongen met glad achterovergekamd haar, een ronde zwarte bril en een vlotte babbel. Anna fantaseert weleens dat hij een ver familielid is van Rudolph Valantino, de overleden Italiaanse acteur van wie ze wat knipsels heeft.
Jan Oldenboer is echter allesbehalve een acteur, maar werkt als bode bij het ziekenfonds en is al enkele keren met Anna een eindje wezen lopen. Jan Oldenboer is de man die aanspraak maakt op Anna’s genegenheid en affectie. Kortom, Jan Oldenboer is de grootste bofkont van Katwijk en omstreken.

Millie knikt. ‘Het is waar‘, zegt ze op een toon alsof ze zelf verkering heeft met Oldenboer.
Gerrit is nog steeds een beetje uit het lood geslagen. ‘En jij?‘ vraagt hij aan Millie. Hij toont zich een razendsnelle schakelaar, die best bereid is omwille van de omstandigheden van meisje te wisselen.
Ik nog niet‘, zegt ze licht blozend.
Het lijkt of het ruisen van de branding heftiger wordt en de zon feller begint te schijnen.

Kom, ik ga maar eens naar huis‘, zegt Anna eigenwijs. Ze groet Gerrit en Willem en loopt in de richting van de Voorstraat. Een beetje als Gloria Swanson in ‘De Zondares’, ofschoon ze die film alleen maar kent van horen zeggen.
Millie rent haar achterna. De gedachte om het meisje te worden van Gerrit Zuijderduijn wil ze voorlopig niet toelaten. Half struikelend haalt ze haar vriendin in en giechelend verdwijnen beide meisjes uit beeld.

Pittige meiden‘, zegt Willem.
‘Ja’, zegt Gerrit op matte toon. En terwijl hij Anna ziet oplossen als een verwaaiend fata morgana: ‘Daar moet ik toch wat op verzinnen.

Diezelfde week is het echter niet Gerrit Zuijderduijn, maar Willem Duinen die de stoute schoenen aantrekt. Hij wil Anna en niemand anders. Daarom stapt hij in zijn uniform de groentewinkel van Boomakkers binnen.
Pardon, mevrouw Boomakkers‘, zegt Willem. ‘Is uw dochter misschien thuis. Ik kom haar iets brengen.‘ Marie Boomakkers laat de kroppen sla, die ze juist in haar handen heeft, weer terugvallen in hun kist…

 


14.  Wat kom je brengen?’ vraagt ze.

‘Een sjaaltje. Die vond ik bij de muziektent. Ze moet het hebben laten vallen.’
‘Hoe wist je dat het van mijn dochter was?’ vraagt Marie Boomakkers.
Hij vertelt van hun ontmoeting de week ervoor. En als Anna even later in de deuropening tussen winkel en woonhuis verschijnt, lijkt het of zijn hart een slag overslaat.
Willem houdt het sjaaltje in de hoogte. Anna lacht.
‘Kijk eens aan, een sjaaltje’, zegt ze. ‘Dat is nog eens boffen. Bedankt.’

‘Wat een aardige jongen’, zegt Marie Boomakkers tegen haar dochter als Willem weer weg is.
‘Ja, best aardig’, antwoordt ze.
Ze staart door de winkelruit naar voorbijwandelende mensen. En als ze het de volgende dag tegen Jan Oldenboer vertelt, ziet deze aan haar ogen dat de marineman misschien wel bezig is haar hart te stelen.
‘Wat een lomperik’, zegt Oldenboer.
‘Hoezo lomperik?’
‘Nou ja, een sjaaltje terugbrengen… Ik bedoel, zomaar plompverloren.’
‘Daar is toch niets lomps aan? Ik noem dat: galant.’
‘Je moet hem niet te veel vertrouwen’, zegt Oldenboer nu met enige stemverheffing. ‘Hij zit bij de marine, dat zegt genoeg.’
‘Hoe bedoel je?’ vraagt Anna verbaasd.
‘Ach, niks. Laten we het er maar niet meer over hebben.’

‘Je bent toch niet jaloers, Jan?’
‘Jaloers? Ik? Op zo’n…’
‘Ja, wat zo’n?’
‘Zo’n weesjongen. Hij is een weesjongen. Die zijn niet te vertrouwen.’

Anna schudt het hoofd.
‘Laten we er maar over ophouden’, zegt ze.

***

In de winter van 1938-1939 wordt Willem Duinen voortijdig weggestuurd bij de marine.
Als korporaal zou hij te tolerant tegen de manschappen zijn. Daarbij komt dat hij insubordinatie pleegt tegen de sergeant-majoor. Deze heeft een marinier 3e klas zodanig gekleineerd en gestraft dat deze zichzelf bijna van het leven berooft.
Willem vraagt zich openlijk af waar de sergeant-majoor het lef vandaan haalt om een mindere op zo’n lage manier tegemoet te reden. De sergeant-majoor is furieus. Hij vraagt aan Willem of alle Katwijkers ‘zo’n grote bek hebben’ en vervolgens stelt hij voor om alle Katwijkers bij de marine, Willem als eerste, te kielhalen, als die straf nog zou worden toegepast.

Uiteindelijk wordt het tien dagen streng-arrest. Omdat ze in de haven van Den Helder liggen moet hij dit in het provoosthuis aan de wal uitzitten. Zijn mutsenlint wordt demonstratief van z’n muts getrokken en al zijn bezittingen worden in verzekerde bewaring gesteld. Tussen twee gewapende mariniers en een korporaal der mariniers wordt hij naar het provoosthuis gebracht.
‘Ik weet nog steeds niet wat ik misdaan heb’, zegt hij later verongelijkt. ‘Ik heb gewoon de waarheid gesproken. Maar misschien had ik toch maar beter mijn mond kunnen houden.’

Het voorval komt ter sprake als Anna Boomakkers met haar ‘vrijer’ Jan Oldenboer thuiskomt van een wandeling. Haar ouders zitten al klaar met de koffie.
‘Hebben jullie het gehoord van die Willem Duinen?’ vraagt Marie Boomakkers. ‘Ik hoorde het van ouwe Siem Kuijt. Duinen schijnt ontslagen te zijn bij de marine.’
‘Zie je wel’, zegt Jan Oldenboer. ‘Hij deugt niet. Hij schijnt nogal een losbol te zijn, die het allemaal niet zo nauw neemt.’


15. ‘Hij heeft natuurlijk niet voor niks in de gevangenis gezeten, zegt Oldenboer.

Maar het is zon aardige jongen, zegt Marie Boomakkers. Er leek geen kwaad in hem te schuilen.
Schijn, allemaal schijn, mevrouw Boomakkers, zegt Oldenboer. Dat heb je met weeskinderen, ze missen de harde hand van thuis en groeien op voor galg en rad. Ze doen mooi voor, maar intussenDaar zou ik mijn kind niet aan durven toevertrouwen.
Je hebt misschien wel gelijk, Jan, zegt Hendrik Boomakkers. ‘We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. En dezelfde avond verbiedt hij Anna nog langer met Willem Duinen te praten.

Maar zoals altijd nemen gebeurtenissen soms een onverwachte wending. Op de ochtend van zaterdag 2 september 1939 verschijnt er een vreemde jonge man in de winkel. Marie Boomakkers kent hem niet, hij moet van buiten Katwijk zijn. Hij heeft donker haar en een baardje en hij koopt een zakje peren. Als hij afrekent vraagt hij: ‘Weet u misschien waar ik Willem Duinen kan vinden?’
‘Die woont bij een tante en een oom in het Oostpad’, antwoordt Marie. ‘U moet verder de Voorstraat aflopen en voorbij het grote huis van reder Meerburg naar rechts. Dan komt u in het Oostpad. Maar vertelt u me eens, wat heeft hij nu weer misdaan?’
‘O nee, hij heeft niets misdaan’, antwoordt de jongen. ‘Ik wil hem graag bedanken. Hij heeft het voor me opgenomen bij de marine en heeft daardoor zijn ontslag gekregen. Ik ben hem dankbaar, maar voel ook spijt. Vanwege zijn ontslag, ziet u.’

‘U hebt dus met hem samengewerkt bij de marine?’
‘Ja, we zaten op hetzelfde schip. Ontzettend leuke knul.’
Marie denkt na. ‘Wij hebben verhalen gehoord over zijn wangedrag bij de marine’, zegt ze.
‘Wangedrag? Welk wangedrag.’
Ze schudt het hoofd en zegt dat ze verkeerd geïnformeerd moet zijn. De man vertrekt en als aan het einde van de middag Anna samen met Jan Oldenboer thuiskomt van een wandeling is Marie bezig om de winkel te dweilen. ‘Dr was hier vanmorgen iemand van de marine die naar Willem Duinen heeft gevraagd’, zegt ze terwijl ze haar handen droog veegt aan haar schort. ‘Hij wilde hem bedanken.’

‘Bedanken?’ zegt Jan Oldenboer spottend. ‘Waarvoor dan.’
‘Willem heeft die jongen geholpen’, zegt Marie. ‘En die hulp was de oorzaak van zijn ontslag bij de marine.’ Anna staart haar moeder zwijgend aan.
‘Neemt u mij niet kwalijk mevrouw Boomakkers, maar gelooft u die praatjes?’ vraagt Oldenboer.
‘Ik geloof dat die jongeman de waarheid sprak’, antwoordt Marie. ‘Anders komt hij niet helemaal naar Katwijk om hem persoonlijk te bedanken. En wat Willem gedaan heeft, was de reden voor zijn ontslag. Ik ben bang dat we hem verkeerd hebben beoordeeld.’

Jan Oldenboer valt stil en zet grote ogen op. Hij wil iets zeggen, iets aanvoeren ten nadele van Duinen, maar er schiet hem niets te binnen. Anna kijkt naar hem, met een vernietigende blik. Jij hebt steeds gezegd dat hij niet deugde, zegt ze.‘Wie heeft je dat verteld?
Meerdere mensen, antwoordt hij wat nerveus. ‘Meerdere mensen die hem kennen.

Juist op hetzelfde moment komt Hendrik Boomakkers binnen met een bedrukt gezicht. Hij staat stil en kijkt iedereen aan.
‘Lieve mensen,’ zegt hij op sombere toon, ‘ik heb zojuist op de radio gehoord dat Duitsland Polen is binnengevallen. En dat is niet mooi.’
‘Zolang het bij Polen blijft is er toch niks aan de hand?’ zegt Anna. ‘Duitsland zal Nederland niet binnenvallen, wij zijn een bevriend land.’

Jan Oldenboer buigt zich naar voren. ‘Het zou helemaal geen kwaad kunnen wanneer hier in dit land eens orde op zaken wordt gesteld’, zegt hij.
‘Wat bedoel je daarmee?’ vraagt Hendrik fel.
‘Wat de nationaal-socialisten in Duitsland bereikt hebben, is niet niks. Ze hebben er een goedlopende economie van gemaakt. Het gaat Duitsland voor de wind, daar kunnen wij nog wat van leren. Adolf Hitler is een groot staatsman. Zo’n figuur missen wij hier.’
‘Ja, maar het gaat wel ten koste van mensen’, zegt Hendrik.
‘Er zijn altijd mensen die de boel tegenwerken. Het zit hun in het bloed, zo zijn ze nou eenmaal geboren. Denk aan de bolsjewieken, denk aan de joden? Daar kan je beter maar van afwezen, van dat soort mensen.’

Ze zwijgen.
Dan zegt Anna: ‘Ik geloof dat je beter kunt gaan, Jan.’
‘Oké‘, zegt Oldenboer. ‘Zie ik je morgen nog?’
Anna schudt het hoofd. ‘Nee, het is uit.’

 

16. Ik zou het leuk vinden
als we eens wat gaan wandelen’
,

zegt Anna op een zondagmiddag tegen Willem Duinen.
Hij fronst zijn wenkbrauwen. Vindt Jan dat wel goed?
Ach wat! Jan,’ zegt ze, ‘die heb ik de bons gegeven.
Willem is aangenaam verrast. ‘Waarom?
Hij was niet helemaal eerlijk, laten we het daar maar op houden. Maar even over die man die bij ons in de winkel naar jou kwam informeren. Wat wilde die nou precies?

O, Julius Groenendaal. Dat was een maat van me bij de marine. Ze hebben hem onterecht op z’n falie gegeven. Daar heb ik toen wat van gezegd en dat liep uit op tien dagen arrest. Het was niet eens omdat ik me er niet mee mocht bemoeien, maar vooral omdat ik mijn stem verhief tegen mijn meerdere. Maar als ik er nu voor stond zou ik het weer doen. Julius kwam me alsnog bedanken met een fles wijn, een liter jenever en een zakje peren. Aardige vent.

‘Sjonge, wijn’, zegt Anna. Ze gaan op een muurtje zitten, de wind blaast zacht door hun haar.
Wat ga je nu doen? vraagt ze. Willem staart over zee naar de horizon, alsof daar wat te zien is, maar er is op dit moment niets dan water.
Ik wil naar de koopvaardij. Ik kan niet zonder de zee.
De koopvaardij? Met koopwaar de wereld over?

Hij knikt.
‘Ik heb geen zitvlees Anna. Ik kan niet hier aan de wal blijven werken, daar zou ik gek van worden. Net als Gerrit Zuijderduijn bij een baas in de Zuidstraat werken? Elke dag maar weer naar die dam in de Zuidstraat. Altijd maar hetzelfde, dag in dag uit. Ik kan dat niet. Ik moet de wijde wereld in. Ik heb die onrust nou eenmaal in me.’

‘Maar je bent op het oog de rust zelve. Ik snap dat niet.’
‘Ja, op het oog misschien. Maar ik heb altijd die innerlijke onrust gehad. Vroeger al, in het weeshuis. Dan moest ik zo nodig het dak opklimmen. Levensgevaarlijk natuurlijk, maar ik klom. En later liep ik in één dag naar IJmuiden omdat ik wilde varen. Allemaal van die vreemde dingen die hun oorsprong vinden in mijn innerlijke onrust.’ Hij staart nog steeds voor zich uit naar de horizon.

‘Maar de Grote Vaart, hoe ga je dat aanpakken?’ vraagt ze.
‘Tja, dan moet ik eerst naar de Zeevaartschool. Dan word ik aspirant-stuurman, vervolgens derde stuurman, tweede, eerste, en wie weet daarna kapitein.’
‘Wie gaat dat betalen?’ vraagt Anna.
‘Ik probeer een beroep te doen op een fonds. Of ik leen geld.’
‘En waar ga je dan studeren?’
‘In Amsterdam denk ik. Aan de Prins Hendrikkade is de Zeevaartschool waar je de opleiding tot derde stuurman kan volgen en daarna de voortgezette opleiding voor stuurlieden.’

Anna knikt.
Ze voelt niet alleen blijdschap voor Willem, maar ook een lichte teleurstelling.
Je zal dan veel weg zijn’, zegt ze.
Ze kijken elkaar langer aan dan normaal. Dan pakt ze zijn hand en trekt hem naar zich toe. Hij voelt haar warme lichaam tegen zich aan, de zachte contouren van haar vlees door de stof van haar kleding heen.

‘Misschien wil vader wel wat voor je doen’, zegt ze.
‘Hoe bedoel je?’
‘Precies, zoals ik het zeg, zeeman. Geld lenen of zoiets. Ik vraag het hem wel.’

Duinen 16-Badstraat2

In het portiek van een huis aan de Badstraat kussen ze elkaar.

 

17. Ome Cor

is een inwonende oom van Anna. Hij is de broer van haar moeder en bewoont al jaren een kamertje achter. Ome Cor wandelt zo nu en dan door Katwijk om met iedereen een praatje te maken. Hij is zijn leven lang al vrijgezel. ‘Ze wouen iet bijten’, zegt hij steevast te verklaring van het feit dat hij nooit aan de vrouw is geraakt. Hij draagt een vale pet en heeft zich de laatste tijd toegelegd op fotograferen. Jaren geleden kocht hij een Leica III, een camera die hem een klein fortuin heeft gekost en die hij omschrijft als ‘mijn Duitse lichtapparaat’. Daarmee maakt hij foto’s op straat en van alle leden van de familie Boomakkers op het platte dak achter, waar ze met mooi weer vaak zitten. Als Hendrik Boomakkers vanwege de mobilisatie zijn uniform met pet thuis krijgt, poseert hij enkele malen in vol ornaat op het platte dak.

‘Een groenteboer als soldaat’, zegt ome Cor. ‘Dat wordt lachen als die mot gaan vechten.’
Ook Anna trekt een keer het uniform van haar vader aan.‘Prachtig’, zegt ome Cor. ‘Ook even salueren, natuurlijk.’ Anna houdt de hand aan de pet. Haar donkere haren zijn opgestoken, zodat ze nu nog meer op een heuse soldaat lijkt .

Onder de foto’s in haar fotoalbum schrijft Anna zinnetjes als: ‘Even netjes staan’ of ‘warme zondag’ of ‘In de mobilisatietijd.’ Vaak staat ze er met haar vriendinnen Millie en Elsje op. Ook Willem gaat herhaaldelijk op de foto. Soms draagt hij geheel volgens de laatste mode een grote gleufhoed.

In het huis aan de Voorstraat woont ook Anna’s broer Karel, hij is twee jaar ouder en geïnteresseerd in politiek. Voor de Christelijk Historische Unie staat hij op de lijst om raadslid te worden. ‘We zijn het aan koningin en vaderland verplicht tegenwicht te bieden tegen de gevaren die ons bedreigen’, zegt hij vaak. Hij zegt nooit direct waar hij op doelt.

Het duurt niet lang voordat het grootste gevaar zich daadwerkelijk aandient. In de ochtend van vrijdag 10 mei 1940 stapt Karel op zijn fiets om naar de gasfabriek te gaan waar hij op de boekhouding werkt. Hij is nog niet halverwege de straat of een buurman roept dat hij terug moet gaan.

Karel stapt af en vraagt wat er aan de hand is.
‘Man, het is gevaarlijk’, antwoordt de buurman gejaagd. ‘De Duitsers vallen ons land binnen. Er wordt enorm gevochten in Valkenburg. Je weet nooit wat er hier gaat gebeuren, misschien vallen er wel bommen uit de lucht. Ga terug naar huis.’

Karel fietst zo snel als hij kan weer terug naar de groentewinkel. Als hij er vlakbij is, komt hij Willem tegen, die ook op weg is naar de winkel. Willem kijkt naar de lucht en naar de haan van de Nieuwe Kerk die nog altijd fier omhoog steekt alsof er niets aan de hand is. ‘Zonnig’, zegt hij. ‘Fris, maar zonnig. Een zwakke noordoostenwind en geen spatje regen. Een mooie dag. Veel te mooi voor een inval van vijandige troepen.’

‘Of misschien juist wel’, geeft Karel terug. ‘Die Duitsers zijn natuurlijk niet gek. Maar ik heb alle vertrouwen in onze koningin, de regering en het leger. Zij zullen zich manhaftig weren, daar ben ik van overtuigd.’

Willem staart zijn aanstaande zwager zwijgend aan en vraagt zich af waar deze zijn veronderstelling op baseert. In de verte klinken knallen…

 

18. De klok tikt zacht, het is avond.

Om de tafel zitten Willem, Anna, Hendrik, ome Cor, Marie, Karel en Gerrit. Het gesprek gaat over vroeger, toen het nog lang geen oorlog was. Toen men in Europa nog de naweeën van die andere oorlog, ‘de Grote Oorlog’ ondervond. Marie schenkt thee in.

Ik weet nog’, zegt Willem, ‘dat ik net in het weeshuis zat met mijn zuster Fientje. Ik was vaak weg, ook als er gegeten moest worden. Dan vond ik later de hond in de pot. De weesvader- en moeder deden hun best, het waren lieve mensen. Maar het bleven surrogaatouders. Op een dag kwam ik weer niet op tijd voor het eten. Ik was op strand blijven hangen, nadat Gerrit en ik gespeeld hadden met de zoon van baron Baud, de kamerheer van prinses Juliana, die toen in t’ Waerle woonde. Weten jullie dat nog?’

Gerrit lacht. ‘Ja, dat weet ik nog.’
‘Die jongen vroeg waar mijn moeder was. Mijn moeder is dood, zei ik. Hij schrok zichtbaar, zijn eigen moeder leefde nog, dat wist ik. O, en je vader? vroeg hij. Die ook, zei ik. Hij is verdronken. En terwijl ik dat zei voelde ik opeens vreemd soort hoop en vertrouwen. Hoop en vertrouwen dat alles beter zou worden, ondanks het feit dat ik mijn beide ouders had verloren. En die hoop en dat vertrouwen zouden me niet meer verlaten, ze gaven me een vreemd soort zekerheid.
Toen ik een uurtje later thuiskwam, zei ik tegen de weesmoeder dat ik de prinses ook nog gezien had. Ze kwam met een automobiel thuis uit Leiden, een heel mooie automobiel, hij glom helemaal. Als een juweel. Ze gaf me ook nog een knipoog, de prinses. En de weesmoeder vroeg: Je hebt toch wel netjes je pet afgedaan toen je de prinses zag? Natuurlijk had ik dat gedaan. Daarna zei de weesmoeder dat ik vooral heel goed moest onthouden dat ik nooit zou worden als de zoon van de baron, al zou ik nog zo hard mijn best doen. Daar was ik niet voor in de wieg gelegd, zei ze. Hoe zong Louis Davids dat? Als je voor een dubbeltje geboren bent, dan word je nooit een kwartje. En ik weet nog dat het me niets deed, want ik had mijn eigen zekerheid. Dus ik antwoordde: Dat is waar, want ik word visser.’

‘En dat ben je toen ook nog blauwe maandag geweest’, lacht Gerrit.
Anna kijkt trots in Willems richting. Hij kan het mooi zeggen, Willem is een geboren verteller.
‘Ja, en daarna vestigde ik al mijn hoop en vertrouwen op de marine. Maar wat belangrijker is: ook op Anna.’ Hij kijkt in haar richting, ze lacht verlegen.
Opeens gaat Willem rechtop zitten en schraapt zijn keel, zoals mensen die die iets belangrijks gaan aankondigen.
‘Om heel eerlijk te zijn, meneer Boomakkers en mevrouw Boomakkers was dit verhaal eigenlijk de aanloop naar wat ik u nu wil vragen.’ Hij zwijgt en glimlacht.

‘Ik zou zeggen: doe je best’, zegt Hendrik quasi serieus. Marie kijkt intussen met glinsterende ogen afwisselend van Willem naar haar man en terug.
‘Ik wil u vragen…’ gaat Willem verder, ‘of u ermee instemt dat Anna en ik… Dat wij ons gaan verloven.’
Aan Gerrit ontsnapt een diepe, bevrijdende zucht, en hij roept: ‘Man, of je het nooit zou vragen!’

19. In de eerste jaren van de oorlog

… gaat Willem nog dagelijks naar de Zeevaartschool in Amsterdam, maar in de loop van 1942 wordt dat steeds moeilijker. Soms gaan de lessen niet door, en andere keren rijdt de trein van Leiden naar Amsterdam om duistere reden niet. Sabotage op het spoor of een of andere klopjacht op iemand die zich in de trein bevindt. De Duitsers leggen het verkeer dan gewoon stil, daar draaien ze hun hand niet voor om. Ze gedragen zich steeds meer als heer en meester, het wordt steeds gevaarlijker om je mening te geven of hen tegen te spreken.

Het werk in de groentewinkel gaat gewoon door. Niet alleen Katwijkers kopen er hun groente en fruit, de winkel wordt ook door Duitse officieren en soldaten gefrequenteerd. Op een ochtend komt er een eenzame slungelige Duitse jongen de winkel binnen, hij is alleen, losgeweekt van zijn regiment. Zijn uniform lijkt twee maten te groot. Marie neemt de jongen op van top tot teen en haar handen jeuken om de broek en het jasje eens onder de naaimachine te vermaken.

De Duitser koopt een handje fruit. Tijdens het afrekenen vraagt hij opeens of ‘die hübsche Tochter’ nog vrij is.
‘Welke Tochter?’ vraagt Marie alsof haar neus bloedt.
‘Die hübsche, die hier im Geschäft immer arbeitet.’
Ze aarzelt, maar schudt dan het hoofd.
Sie ist besetzt’, zegt ze, ogenschijnlijk gedecideerd, maar innerlijk met het hart kloppend in de keel. De bezetter is onvoorspelbaar. Wat als hij gaat eisen dat Anna zich kenbaar maakt en met hem mee moet gaan? Marie probeert de gedachte daaraan te verbannen.

Maar gelukkig antwoordt hij: ‘Schade, sie ist so nett. Ich möchte gerne spazieren gehen.’
‘Ze is verloofd’, zegt Marie. Ze probeert te glimlachen.
Teleurgesteld verlaat hij de winkel. ’s Avonds aan tafel vertelt Marie van het voorval.
Anna lacht. ‘Ik zou toch niet met hem zijn meegegaan, al ging hij op zijn kop staan.’ Jeugdige overmoed, noemt Hendrik het van zijn dochter. ‘Nou ja, ik bedoel, je moet erg uitkijken’, zegt hij ter verklaring.

‘Ik meen het vader’, zegt ze. ‘Al ging-ie op de grond liggen soebatten, dan deed ik het nog niet. Denk je dat ik met een Duitse soldaat ga wandelen nu ik verloofd ben met Willem?’
‘Je hebt gelijk hoor kind’, zegt Marie. ‘Maar ik heb ook wel te doen met die jongens van de Wehrmacht. Die worden ook maar gestuurd. Het zijn soms gewoon nog kinderen.’

Als Anna de volgende dag over het voorval vertelt tegen Willem, begint deze te lachen. ‘Nou word je ook al begeerd door de moffen’, zegt hij. ‘Ik mag wel uitkijken; voor ik het weet, ben je weg.’

Het gevaar lijkt geweken, maar Willem en Anna hebben helaas misgerekend. De bezetter houdt er nu eenmaal andere normen op na, want twee dagen daarna komt dezelfde soldaat opnieuw in de winkel. Deze keer met een oudere officier, die kijkt alsof hij zich de hele dag stierlijk verveelt.
‘We zouden graag eens met uw dochter kennismaken’, zegt hij. Hij pakt een handje snijbonen uit een kist en laat de bonen demonstratief langzaam een voor een weer terugvallen.
‘Waarom?’ vraagt Marie met bonzend hart.
‘We hebben deze week een avond in De Roskam en ik wil haar graag als gezelschapsdame meevragen, snapt u?’
Marie doet alsof ze hem niet goed verstaat.
‘Het kan niet’, zegt ze resoluut en wil weer doorgaan met haar werk.

Nu pakt de officier een doosjes fruit van de toonbank en bekijkt het quasi geïnteresseerd.
‘U hebt een mooie winkel, gnädige Frau’, zegt hij. ‘Ik kan me voorstellen dat u zoiets moois niet graag wilt verliezen. Het kan allemaal in een keer weg zijn, nietwaar?’
Zijn woorden blijven als het ware in de ruimte hangen. Marie denkt na over wat ze zojuist gehoord heeft. Plotseling voelt ze een golf van angstige overmoed door haar lichaam trekken. En ze kijkt de officier recht in zijn gezicht. ‘U denkt toch niet dat ik me door zoiets bespottelijks op stang laat jagen!?, zegt ze manhaftig. ‘En u zou toch niet willen dat ik naar de Ortskommandant ga om me te beklagen over de brutaliteit van uw voorstel?’ Van binnen trilt ze.

De officier kijkt haar verbaasd aan. Even is het doodstil in de winkel…

 

20. De officier, nog steeds
met het doosje fruit in zijn hand,

kijkt tandenknarsend naar de stoere vrouw tegenover hem. Marie oogt inderdaad stoer, maar intussen knikken haar knieën en trilt ze inwendig.

Na enkele lange seconden zucht de officier diep.
‘We zullen mijn brutale, ‘freche’ voorstel bij nader inzien maar laten varen, gnädige Frau’, zegt hij met half gesloten, gemene ogen en een vals handgebaar. ‘Wir gehen.’
Bij de deur draait de officier zich om. ‘Wij blijven u en uw winkel natuurlijk in de gaten houden, dat begrijpt u’, zegt hij. ‘Auf wiedersehn.’

Nadat de twee Duitsers vetrokken zijn, barst Marie in snikken uit. Ze beeft over haar hele lichaam. Er is nog niets ernstigs gebeurd. Maar met de bezetter valt niet te spotten. Dat realiseert ze zich. ’s Avonds troost Hendrik haar. ‘Kom op,’ zegt hij, ‘je hebt juist gehandeld.

De oorlog duurt langer dan iedereen aanvankelijk dacht. Bij de Boomakkers is de actualiteit regelmatig onderwerp van gesprek. Vooral als dominee Karel Rittervoort uit Sassenheim bij Hendrik en Marie op bezoek koomt. Rittervoort en Hendrik kennen elkaar nog uit de mobilisatie van 14-18, toen ze beiden als militair gelegerd waren in Huisduinen bij Den Helder, wachtend op het gebulder dat nooit kwam. Rittervoort is samen met enkele andere Nederlanders een soort huisvriend van de verbannen Duitse keizer Wilhelm II in Doorn geworden. Voor de oorlog bezocht hij de keizer regelmatig. ‘Een gekwelde ziel’, zei hij dan. ‘Stiekem had hij gehoopt dat Hitler hem terug zou halen om weer echt keizer van zijn land te worden, maar dat wil Hitler helemaal niet. De keizer is verbitterd, zijn leven heeft nog maar weinig zin, vindt hij.’

Nu spreekt Rittervoort voortdurend over de gebeurtenissen in Europa, zoals dat in de kranten naar voren komt. Hij spreekt over de successen van de Duitsers aan het oostfront, niet wetend dat Operatie Barbarossa van eind 1941, later het keerpunt van de oorlog zal blijken te zijn.

‘Tja‘, zegt Hendrik zorgelijk. ‘Het ziet er beroerd uit.
En ik maak me zorgen over de Nederlanders’, zegt Marie hoofdschuddend. ‘Neem die jongen van Oldenboer. Die heeft zich bij de NSB aangesloten. Voor het Vaderland, zegt hij. Hij is zó fanatiek, hij loopt elke dag in uniform over straat.
De bekeerlingen zijn altijd het felst’, zegt Hendrik Boomakkers.
Maar goed,’ gaat Marie verder, ‘die Jan Oldenboer kwam vandaag in de winkel. En niet voor een krop andijvie. Nee, hij wilde weten waar Willem was. Dus Anna vroeg waarom hij dat wilde weten en toen zei hij dat ze dan wel Willems verloofde mocht wezen, maar dat dit niet betekende dat Willem zich aan zijn plicht kon onttrekken.
De Arbeitseinsatz‘, zegt Hendrik. ‘Hij heeft echt een hekel aan die jongen hè, anders zou hij er toch niet zo fel op gebrand zijn?
Hij zit natuurlijk niet voor niks bij de NSB.’
Je hebt gelijk. Maar wat zei Anna?

 

21. ‘Hij studeert aan de Zeevaartschool’,

zegt Anna zo koel en zakelijk mogelijk.
‘Heeft hij de loyaliteitsverklaring al getekend?’
vraagt Oldenboer fel.
‘Ik weet het niet’, zegt Anna. ‘Moet dat dan?’
Ze kijkt streng in zijn richting, hij vindt haar nog steeds aantrekkelijk en is dan ook voor even uit het veld geslagen. Maar dan vermant hij zich weer.
‘Hoe kan het nou dat je dat niet weet?’
‘Gewoon’, zegt Anna, ‘omdat hij al drie maanden weg is…’

Oldenboer valt even stil, zijn ogen glijden langs de kisten met andijvie, bloemkool, knolrapen en schorseneren.
‘Is die lafaard al drie maanden weg?’
‘Hij is geen lafaard.’
Hij reageert niet op haar, maar gaat stug door met zijn boodschap: ‘Luister, je had beter met mij kunnen blijven omgaan. Dan waren wij nu verloofd. Dan zou je nu een meisje van aanzien zijn geweest. Een meisje dat verloofd was met een lid van de Nationaal Socialistische Beweging. Dat klinkt mooi hè? Maar goed, je hebt het niet gedaan. Je bent met die verrader meegegaan.’

‘Willem is geen verrader.’
‘O nee, wat doet hij nu dan? Hij laat je in de steek. Hij is al drie maanden weg, zeg je. Mooie vent is dat. Nou, het is al goed voor nu, ik ga. Maar zodra je hem ziet, stuur hem dan naar mij toe, die meneer met zijn mooie praatjes.’
Zodra Jan de winkel uit is, laat Anna zich zakken op een stapel kisten. Ze trilt van kwaadheid.

De volgende middag wandelt ze via de Voorstraat naar de Badstraat, over de Tramstraat weer terug naar het oosten en bij de Stengelinstraat slaat ze de hoek om. Ze loopt zo nonchalant mogelijk en probeert niet om zich heen te kijken. Het moet op een wandeling lijken die nergens speciaal naar toe gaat. Dan schiet ze een slopje in. Niemand heeft haar gezien. Ze opent een groene poort en loopt de plaats op. Zacht tikt ze op het raam. Fientje, Willems zuster, komt naar buiten.

‘O, ben jij het Anna?
‘Ja, hoe is het?’
‘Prima, we vermaken ons best. Af en toe spelen we een spelletje.’
De kelderdeur gaat open, Willem komt tevoorschijn. Ze kussen elkaar. Anna vertelt van het bezoek van Oldenboer.
‘Het wordt te gevaarlijk‘, zegt ze. ‘Nog even en ze weten waar je zit.’

‘Onze Willem zit bij ons veilig’, zegt Fientje.
‘Veilig, ja’, zegt Willem. ‘Maar hoe ironisch is het? Er zitten Duitse soldaten in het weeshuis. En wij zijn nu hier, en ik zit notabene ondergedoken.’
‘Je moet wel, anders moet je gaan werken in Duitsland’, zegt Anna. ‘Dat is gisteren wel echt tot me doorgedrongen. Als je dat niet wilt, moet je hier weg. Ik hoor het mezelf niet graag zeggen, maar je moet weg, Willem. Ga naar West-Friesland, Groningen of Drenthe. Daar ben je veiliger dan hier. Als je wordt opgepakt en naar Duitsland moet, weet ik niet of ik je ooit nog terugzie. Laatst werd Matthijs van Duijn opgepakt, hij moest kiezen tussen een kamp of de SS. Ik denk dat je meer kans maakt op het platteland. Sommige anderen doen het ook. Ik heb al gehoord van Rein van der Zwan en Dirk Krijgsman, Henk van Beelen en Douwe Jelgersma. Die zijn ergens anders ondergedoken. Echt, het duurt niet lang voordat Jan Oldenboer je vindt, en dan?’
‘Misschien wel’, mompelt hij voor zich uit starend.

Drie dagen later omhelzen Willem en Anna elkaar. Ze klemt hem tegen zich aan of ze hem nooit meer wil loslaten.
‘Zal je uitkijken?’ zegt ze. ‘Kijk me eens aan.‘ Ze legt haar hand tegen zijn wang. ‘Beloof je het?’
‘Ik beloof het’, zegt hij.

 

22. Diezelfde nacht, net na het einde

van de spertijd loopt Willem de Stengelinstraat uit in de richting van de Zeeweg. In zijn binnenzak zit geld en een vals persoonsbewijs, geregeld door zijn vriend Gerrit Zuijderduijn. In Katwijk-Binnen versnelt hij zijn pas. Hij loopt door tot het Haagse Schouw. Eén keer passeert hij een groepje soldaten. Hij groet zo onopvallend mogelijk. Ze zijn te lui of te ongeïnteresseerd om hem aan te houden en te vragen waar hij zo vroeg naar toe gaat.

Ome Cor gaat ook in de oorlog door met fotograferen, maar Anna bekijkt alleen nog de foto’s die gemaakt zijn van haar met Willem. Zoals in het voorjaar van 1940 in de duinen. Of op het platte dak in de zomer van 1940. Willem in een mooi licht pak met een gestreepte das, sigaret in zijn hand, en Anna in een mantelpakje met een lange rok tot over de knieën. in hetzelfde album zitten ook nog foto’s van Willem bij de marine. ‘Zeilen, muziek en zwemmen in Oost-Indië’, heeft ze erbij geschreven. En: ‘Bij ’t kampvuur in Oost-Indië 1937-1938′, of: ‘Versterking van de inwendige mens en tevens een opwekkend liedje’. Op de foto een groepje Hollandse jongens in zwembroek, drinkend op een strandje. In het midden staat een pick-up met grammofoonplaat. Onbekend is welke muziek er gedraaid wordt. Willem Duinen zit er tussen met een witte handdoek om zijn nek. Dat was nog in de periode dat ze geen verkering hadden. En terwijl Anna zo naar de foto’s kijkt, denkt er opeens aan dat ze nu niet weet waar hij is.

Dan roept haar moeder haar om te komen helpen in de winkel. Ze slaat het boek dicht en loopt naar voren. Eenmaal in de winkel lacht ze. ‘Goedemorgen, wat mag het zijn?’ Het leven gaat verder, ook nu haar verloofde elders in Nederland ondergedoken is.

Willem komt eerst in Bussum. Daar wonen een oom en een tante van Gerrit Zuijderduijn, oom Hans en tante Dicky. Hans is voor de oorlog in Bussum gaan werken en hij en zijn vrouw zijn er gebleven. Oom Hans zit in de illegaliteit. Ze onthalen Willem hartelijk en geven hem koffie en brood.

Zuijderduijn praat veel, hij ratelt aan één stuk door. ‘Jij hebt toch in het weeshuis gezeten?’ vraagt hij aan Willem. Willem knikt.
‘Ja,’ gaat Zuijderduijn door, ‘we hebben je vader en moeder nog goed gekend. Te vroeg gestorven, jongen. Heb je daarna nog in Indië gezeten ook? Mooi land, Indië. Erg dat de Jappen daar nu zitten. Hoe is het in Kattek? Ik heb gehoord dat ze de hele Boulevard en de straten erachter hebben gesloopt, die moffen. Het is een schandaal. Waar moeten al die mensen nu naar toe? Nee, jongen, ik weet niet wat de oorlog nog brengen zal, maar veel goeds is het niet. Hoe heet je nu?’

Willem haalt zijn persoonsbewijs tevoorschijn. Zuijderduijn leest: ‘Dirk Smit. Hollandser kan het niet. Geboren 1 februari 1915 te Amsterdam. je bent zelf toch van veertien?
Willem knikt. Hij vraagt zich af hoe iemand die zóveel praat als oom Hans, in de ondergrondse kan zitten. Zou hij niet snel zijn mond voorbij praten?

‘Luister’, zegt oom Hans. ‘je kan hier niet te lang blijven. Ik stel voor dat je doorreist naar Nieuwe Krim, dat is een gehucht ten westen van Coevorden. Daar woont Berend Helmantel, een boer met een groot bedrijf. Hij kan nog wel een knecht gebruiken. Dan moet je wel twee keer op een zondag naar de gereformeerde kerk, maar dat vind je vast niet erg?’

Willem lacht en schudt het hoofd. Hij denkt aan Anna en hij denkt eraan dat niemand weet hoe lang het nog zal duren voordat ze elkaar weer in de armen kunnen sluiten.

 

23. Boer Helmantel

is een man van weinig woorden. Hij wijst Willem zijn plek in een van de bijgebouwen: een grote stenen schuur met enkele aparte kamertjes waar de knechten moeten slapen. Er zijn nog drie knechten op de boerderij, elk uit een ander deel van Nederland: een Zeistenaar, een Amsterdammer en een jongen uit Rotterdam.

Duinen-Duitse bommenwerpers

De laatste vertelt vaak over het bombardement. Hoe de complete straat waarin hij woonde in enkele klappen weggevaagd werd. De Amsterdammer vertelt over de razzia’s in zijn stad. En over hoe er meer joden weggevoerd worden om in Duitsland te gaan werken dan Nederlanders.
‘Ik heb zo’n gevoel dat we die nooit meer terugzien’, zegt hij met een somber gezicht.

Een eindje verder, achter een bosrand van kastanjebomen en wilgen, is het huis van buurman Taander. Op een dag komt hij het boerenerf op en haalt een klein pakketje onder zijn jasje vandaan.
‘Ik heb hier brieven’, zegt hij tegen Helmantel. ‘Brieven voor die jongens. Eens kijken: Wouter de Meester, Rob Klepper en Dirk Smit.’

‘Een brief voor mij?’ vraagt Willem die avond als Helmantel hem de brief overhandigt.
‘Vraag niet hoe die hier komt’, zegt de boer. ‘Je hébt de brief, dat is het belangrijkste.’

Met bonzende keel leest Willem de dichtbeschreven blaadjes die hij met nerveuze bewegingen uit de envelop heeft gehaald:

Lieve Willem,
Hoe is het met je? Ik mis je erg, wij missen je allemaal erg. Met vader, moeder en ome Cor is alles goed. Karel gaat nu met Coby Zwaan, een meisje uit de rooie buurt. Heel aardig. Na de oorlog willen ze trouwen, net als wij. Met Fientje en Amerik gaat het ook z’n gangetje. Hoe het met jullie Arend is, weet ik niet. We hebben al een tijd niks van hem gehoord. Met jullie Gijsje en Huig gaat het goed. Ze wonen tegenwoordig allebei in de Batavenstraat.

Met mij gaat het ook best hoor. Soms komt er een soldaat vragen of hij met me mag lopen. Ik doe het niet hoor, ik zeg gewoon dat ik geen zin heb. In Katwijk wordt het wel steeds erger. De oudjes zijn uit het gasthuis gehaald. Dat hadden ze nodig als ontspanningsruimte voor de Wehrmacht. Siem Kuijt, je weet wel ‘ouwe Siem’ ligt in het ziekenhuis, zijn gestel kon het niet meer aan. We bidden voor hem dat hij het overleeft. Bij de Boulevard ziet het er vreselijk uit. Alle bebouwing is verdwenen, behalve de vuurtoren, de Oude Kerk, het Zeehos en de villa van Truselot. En dan die vreselijke Atlantikwall en dat prikkeldraad. Maar verder is het een woestenij. Patiëntjes van het Zeehos zijn naar Paterswolde gebracht en ook veel bewoners van de gesloopte huizen zijn geëvacueerd.

Nou, ik hoop dat je het goed maakt en veel aan me denkt. Dan zal het wel goed komen en zullen we elkaar misschien binnenkort al in de armen kunnen sluiten. Ze zeggen dat de oorlog niet lang meer zal duren, maar helaas niemand kan in de glazen bol kijken. Ik groet je…

Kus, je innig liefhebbende verloofde

Anna

p.s. schrijf maar niet terug, dat is te gevaarlijk.

Willems handen jeuken, hij wil een pen pakken en meteen terugschrijven. Om haar te laten weten hoezeer hij haar mist en hoeveel hij van haar houdt. Maar het is beter van niet.
Hij stopt de brief terug in de envelop en legt hem onder zijn kussen, om hem nog eens te lezen en te herlezen. Het is 4 augustus 1944. In Amsterdam worden op dezelfde dag Anne Frank en haar familie gearresteerd door de Grüne Polizei en Nederlandse politieagenten en via kamp Westerbork naar het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau afgevoerd. Het is niet bekend wie de onderduikers uit het achterhuis verraden heeft.

 

24. In de hongerwinter komt er weer een brief.

Willem kan zich bijna niet voorstellen hoe erg het in Holland is. Soms komt er bij de boerderij in Nieuwe Krim een groepje uitgemergelde mensen het erf op. Lopend, met kruiwagens, of met fietsen zonder banden. Dan geeft Helmantel wat aardappelen mee, bieten of wortelen. Ze zijn al blij met een half emmertje. Maar of het ooit aankomt in Holland, is volgens hem de vraag. Soms krijgt de boer er wat voor, een gouden ketting of een horloge, maar meestal slaat hij het af. Af en toe eten er mensen mee. Ze schrokken alles in een keer naar binnen, zonder zich te generen. Er is in de oorlog weinig meer om je voor te generen. Overleven, dat is het belangrijkste.

Anna schrijft:

Katwijk, 16 januari 1945

Lieve Willem,

Hoe is het met jou? Hier nog alles goed, al maken we nu wel het ergste mee wat we in al die jaren hebben meegemaakt. Er is hier bijna niks meer. Wij hebben dan nog wel iets, vanwege de groentewinkel. Maar verder is het heel erg en verdrietig. Er zijn al mensen gestorven van de honger. Wij hebben om de dag nog wel wat aardappelen en pap. Laatst kwam er een man uit de Zuid. Ik weet niet meer hoe hij heet, maar ik ken hem wel van gezicht. Hij kwam achterom via de Lijdweg en vroeg of wij nog iets te eten hadden. Moeder schudde het hoofd. ‘Man,’ zei ze. ‘We hebben net genoeg voor onszelf’.

De man keek naar het schoteltje waar de kat van zat te eten. ‘Mag ik dan dat beetje wat de kat daar eet?’ vroeg hij. Toen werd het mijn moeder te veel. ‘Man, ga zitten’, zei ze met overslaande stem. En ze kookte onze laatste aardappel voor die dag! Voor die arme ziel!

Nee, het valt niet mee, maar je moet toch wat doen voor een ander, nietwaar. Maak je geen zorgen, met ons gaat het dus nog goed. Laten we hopen dat de winter snel voorbij is, en de oorlog. Want het maakt het ergste in ons los. Stelen is ons nooit geleerd, maar je moest eens weten wat de Katwijkers allemaal weghalen. Alles wat los en vast zit, niet alleen kleine dingen, ook complete kachels. Uit slooppanden halen ze hout voor de kachel. Nou ja, dat heb ik ook nog gedaan. ‘Gij zult niet stelen’, luidt het gebod. Maar wat heb je aan dat gebod als je doodgaat van de honger?

Ik hoop dat deze brief je bereikt. Ik mis je. Ik kus je.

Je liefhebbende Anna.

Willem leest de brief nog eens. Hij voelt de pijn van de mensen in Katwijk en de ellende waarmee ze te maken hebben. Hij zou zelf ook hout stelen, weet hij. Het is overleven of sterven in de oorlog, en Willem is vast van plan te overleven. Hij wil weer terugkeren naar zijn geboortegrond, het vissersdorp Katwijk.
Katwijk, dat hoe dan ook gehavend en half vernietigd zal verrijzen uit de as, daar is Willem van overtuigd. En ’s avonds in zijn bed van stro denkt hij terug aan zijn tijd in het weeshuis aan de Voorstraat. Hij denkt terug aan de weesvader en de weesmoeder. En ook -hij kan er niets aan doen- aan Nelie van der Plas. Hoezeer hij ook van Anna houdt, soms spoken de beelden van Nelie van der Plas hem door het hoofd. Hij denkt aan haar vroege dood en hoe zinloos alles soms lijkt in deze koude januarimaand van het jaar 1945.

Plotseling suist er iets over de boerderij. Eerst hoort Willem alleen maar een fluittoon, maar enkele seconden later is er die oorverdovende klap!

 

25. Eerst is er na de klap een angstig soort stilte.

Het wachten op een volgende klap. Het enige dat Willem hoort is het wegstervend geluid van een vliegtuig. Het vliegtuig was hem daarvoor niet opgevallen. Maar dan breekt er een enorm kabaal los. Boer Helmantel komt binnen en sommeert de mannen door het luik naar de kelder te gaan. Vermoedelijk heeft een geallieerd vliegtuig per ongeluk een bom laten vallen op een van de omringende boerderijen.
In de verte lijkt het te branden, een rode gloed valt door de ramen. Het is beter wanneer de mannen zich koest houden en niet opvallen. Wie weet komen Duitse soldaten de situatie beoordelen, je weet maar nooit.
Willem en de andere jongens gaan naar de schuilkelder. Een klein uur later horen ze inderdaad Duitse soldaten die polshoogte komen nemen. De soldaten roepen en schreeuwen, Willem kan niet beoordelen wat er precies aan de hand is. De andere jongens zijn doodsbang; de Zeistenaar huilt. ‘Straks pakken ze ons op’, of ze schieten ons neer…‘ zegt hij op klagende toon.
De Amsterdammer pakt hem hardhandig beet en schudt hem heen en weer. ‘Als je wilt dat dat gebeurt, moet je vooral zo doorgaan‘, bijt hij hem toe. ‘Dus, kop houwen!’
Willem springt tussenbeide en zegt op fluisterende maar dwingende toon: ‘Kom mannen, laten we geen ruzie maken. Daar schieten we nu niks mee op.

Ze zwijgen. Ze horen hoe de soldaten de ruimte binnenkomen en even later weer verlaten. De jongens halen letterlijk opgelucht adem, maar deze opluchting is niet van lange duur. Na een minuut of vijf komen de soldaten toch weer binnen. Ze zoeken iets of iemand. Het is alsof ze op de hoogte zijn van de schuilplaats en nu willen weten waar deze schuilplaats zich precies bevindt. Twee of drie soldaten  staan vlak boven hun hoofd, ze stampen met hun laarzen op de planken. Willem durft bijna geen adem te halen. Hij ziet hoe de Rotterdammer zijn ogen dicht heeft en zijn handen gevouwen. De Zeistenaar staart met angstogen voor zich uit; hij is in zichzelf gekeerd nu en lijkt onbereikbaar geworden.

‘Verstecken Sie Juden?’, horen ze een van de Duitsers vragen. Zacht klinkt het antwoord van Helmantel. Hij murmelt iets. Hij murmelt iets om zich eruit te praten. Willem vraagt zich af waarom Helmantel geen open kaart heeft gespeeld. Hij had toch gewoon kunnen zeggen dat de jongens boerenknechten zijn? Knechten die hij nodig heeft om het land te bewerken?  Nu is de situatie juist extra verdacht.

De Duitsers zeggen dat ze gehoord hebben dat hier mannen worden verstopt. Joden? Verzetsmensen? Nu gaat het snel.
‘Dit luik?’ vraagt een van de Duitsers. ‘Welk luik?’ vraagt Helmantel.
‘Die Luke aufmachen!’
‘Was meinen Sie?’
‘Aufmachen! Sofort!!’

Het luik gaat open. De soldaten gillen. Ze schreeuwen dat de jongens eruit moeten komen. Gestommel, getrek, geduw. Willem struikelt bijna de trap op, hij ziet flitsen, armen, handen, geweerkolven. Een por in zijn rug, een schreeuw in zijn oor… De soldaten gebaren dat ze de handen op hun hoofd moeten leggen. Een van de soldaten geeft de Zeistenaar een trap. Hij valt neer.
‘Aufstehen!’ brult de soldaat.

Iemand, kennelijk de leider van de groep’ roept vragen waar ‘diese Schweinhunde’ vandaan komen. Willem staat met zijn handen in zijn nek geleund tegen de wand. Hij hoort de Zeistenaar kreunen. Hij ligt nog steeds op de vloer. De soldaat schopt hem en roept opnieuw dat hij moet opstaan.
Langzaam krabbelt de jongen op. Een straaltje bloed komt uit zijn neus. Hij ziet eruit als een angstig kind dat zich na schooltijd geconfronteerd ziet met een groep jongens die het op hem gemunt hebben. Maar dit is geen schooltijd, dit is de realiteit. De keiharde, gevaarlijke realiteit. Helmantel zegt dat zij geen joden zijn, maar boerenknechten. Dat ze zich verstopt hebben vanwege de verdwaalde vliegtuigbom. Ze waren bang, zegt hij.

De leider van de groep soldaten lijkt het maar half te geloven. Hij sommeert hen naar buiten te lopen, nog steeds met de handen in hun nek. Willem loopt mee, gedwee, zonder vragen te stellen. Even nog ziet hij de lucht boven het bos, zwanger van onheil. Hij vraagt zich af wat er gaat gebeuren. Hij vraagt zich af of hij het zal overleven. Niets meer en niets minder. Alles wat er in zijn leven gebeurd is, lijkt nu te zijn samengebald in die ene vraag: zal hij overleven?

En opeens, als vanuit het niets, wordt het hem zwart voor de ogen…

 

26. Willem vraagt zich af wat er gaat gebeuren.

Hij vraagt zich af of hij het zal overleven. Niets meer en niets minder. Alles wat er in zijn leven gebeurd is, lijkt nu te zijn samengebald in die ene vraag: zal hij overleven? En opeens, als vanuit het niets, wordt het hem zwart voor de ogen…

Katwijk, vier maanden later:
‘Sjonge jonge, nou wil ik dat vastleggen, maar mijn filmrolletjes zijn op’, zegt ome Cor. ‘Kan jij niet effe naar fotograaf Van Rijn in de Badstraat, Anna? Die moet toch nog wel filmrolletjes hebben.’
Buiten op straat klinkt rumoer: gezang, gejuich, mDuinen-26-bewerktuziek. Het is mei 1945. De bevrijders zijn Holland binnengetrokken, geallieerde militairen slaan hun tenten op aan de Zeeweg. Op de Voorstraat dansen slierten mensen, ze hossen. Overal Nederlandse vlaggen en oranje.
Ome Cor heeft al een poosje voor het raam staan kijken.
‘Zo’n feest heb ik nog nooit gezien’, zegt hij. ‘Zelfs op Koninginnedag is het niet zo uitbundig geweest.’

Fotograaf Van Rijn duikt in een grote kast achter de toonbank. Ja, hij heeft nog enkele rolletjes voor een Leica III. Ze zijn al wat ouder, maar nog prima bruikbaar, laat hij aan Anna weten.
Als Anna terugloopt naar huis ziet ze dat het prikkeldraad aan het einde van de Voorstraat verwijderd is. Vrijheid! Maar ze kan het zelf nog niet echt voelen.
Het feest duurt de hele week en de week erna. Ook bij de familie Boomakkers is het feest, al wordt de feestvreugde wel getemperd door het feit dat Willem nog niet is teruggekeerd uit Nieuwe Krim. Af en toe komt Fientje in de winkel. Zodra ze de deur geopend heeft kijkt ze al met vragende blik naar Anna, die op haar beurt het hoofd schudt.

‘Je moet maar denken, er zijn nog veel mensen ver van huis’, zegt Fientje troostend. ‘En elke dag komen er weer terug. Gisteren nog Arie Guijt uit onze straat. Hij moest naar Duitsland en zijn ouders hebben slechts twee brieven van hem gekregen. Daarna niet meer. En gisteren stond-ie ineens voor hen.’

Soms komt ook Gerrit Zuijderduijn even langs om Anna een hart onder de riem te steken. ‘Hij is een ouwe taaie, moet je rekenen’, zegt hij. ‘Hij heeft op de visserij gezeten en bij de marine. Dan ken je wel tegen een stootje.’
Anna lacht, maar niet van harte.

Begin juni herneemt het normale leven weer een beetje zijn loop. De feestelijkheden worden minder en mensen pakken de alledaagse zaken stukje bij beetje weer op. Zo proberen Hendrik en Marie hun winkel op de oude voet voort te zetten, al valt dat nog niet mee. Er is nog maar bitter weinig van alles in Nederland, laat staan verse groenten en fruit. Maar elke dag wordt het een beetje beter.

Anna besluit zich er niet langer bij neer te leggen. Zij wil weten of Willem nog leeft en wil daarvoor desnoods naar Nieuwe Krim om hem te zoeken. Veel mensen plaatsen oproepen in de krant om familieleden op te sporen. Ook Anna doet dit op 21 juni 1945, ruim een maand na de bevrijding. De advertentie luidt: Willem Duinen (30 jr.) Sinds augustus 1943 Ondergedoken in Nieuwe Krim. Inl. naar Anna Boomakkers. En vervolgens het adres. En het telefoonnummer van een buurman.

‘Als hij nog leeft had hij toch al lang iets laten weten?’, vraagt Anna aan haar vader. Hij knikt. Ook hij wil meer in het werk stellen om Willem op te sporen.

Maar de volgende dag stormt een buurjongen om twee uur ’s middags de winkel van Boomakkers binnen.

‘Anna!’ roept hij hijgend.
‘Wat is er?’, vraagt ze verschrikt. Maar ze weet het antwoord al.
‘Willem is terug. Daar! Willem!’

 

27. Anna stormt naar buiten

en kijkt in de richting waarheen de jongen wijst, in de richting van de Nieuwe Kerk. Ze tuurt en tuurt. Er is een groep mensen ter hoogte van de kerk. Eerst ziet ze nog niets bekends, maar als ze haar ogen even sluit en opnieuw kijkt, ontwaart ze tussen de mensen een vermagerde jonge man met krullen.

Siem Kuijt, die tegenwoordig bij zijn dochter in de Zuidstraat woont, had Willem al zien aankomen. Hij strompelde naar buiten om hem te begroeten. Voorzichtig want zijn botten zijn niet meer zo sterk als ze geweest zijn.
‘Ben jij dat Willem?’
Willem drukte hem de hand. ‘Helemaal in eigen persoon. Hoe is het?’
‘Ik mag iet klaege, ik mag iet klaege.’

Ondanks zijn magere uiterlijk, herkent Anna haar verloofde uit duizenden. ‘Willem’, prevelt ze. En ze noemt zijn naam nog twee keer. Dan rent ze op hem af, hij zwaait naar haar. Voor het Jeugdhuis vallen ze elkaar in de armen. Anna werpt haar hoofd tegen zijn borst. Snikkend zegt ze: ‘Wat ben ik dankbaar dat ik je terugzie.’ Ze kussen elkaar en Anna laat haar handen door zijn krullen glijden, keer op keer. Hij ziet de glinstering in haar ogen. ‘Ik laat je nooit meer gaan’, zegt ze. Hij lacht. Het enige wat hij zegt is haar naam.

Anna vraagt hem wat er is gebeurd. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat hij naar huis kwam? Heeft hij nog wel ondergedoken gezeten in de Nieuwe Krim?
Willem schudt het hoofd, maar hij wijst ook in de richting van de winkel van Anna’s ouders. Hij zegt dat ie eerst iets wil eten. Even later eet hij een vol bord met groente en aardappels. En nog een. Anna, Marie en Hendrik kijken zwijgend naar hem. Ze genieten van zijn eetlust. Karel en zijn Coby komen erbij en ook Willems zuster Fientje met haar man, en zijn vriend Gerrit Zuijderduijn.

Na het eten begint Willem te vertellen. Hoe het tot januari steeds goed is gegaan. Dat hij de brieven heeft ontvangen en dat ze een grote troost voor hem waren. Hij vertelt van de bom die per ongeluk in de buurt insloeg. En hij vertelt hoe de Duitsers hen ontdekten. Hoe ze naar buiten moesten lopen en hoe het hem plotseling zwart voor de ogen werd.
Het volgende moment werd hij wakker in een vrachtwagen. Hij werd wakker met een verschrikkelijke koppijn. Een van de Duitsers had hem met de kolf van zijn geweer op het hoofd geslagen. Daarna wilde hij schieten, maar een officier stak er een stokje voor. Ze sleepten hem bewusteloos de vrachtwagen in. Er zaten meer mannen in de vrachtwagen. Nadat hij bijgekomen was zag hij zijn kameraden van de boerderij niet meer, misschien zaten ze ergens anders in de wagen. Een uur later moesten ze overstappen op een trein. Het was ijskoud en hij was slechts gekleed in een trui en een broek. Maar iedereen had het koud. Dat was een schrale troost.

Er volgde een treinreis, niemand wist waar naar toe. Ze voelden zich als beesten in veevervoer. Een van de mannen wist te vertellen dat ze naar een werkkamp gingen. En hij vertelde dat er elke dag treinen vol joden werden afgevoerd naar andere kampen. Ze kwamen waarschijnlijk nooit meer terug. Misschien moesten die joden wel vechten aan het oostfront, al leek dat onwaarschijnlijk. Niemand wist het.

Na een koude reis van meer dan zes uur kwamen ze aan bij het doorgangskamp Wahn bij Keulen. Zijn pas, die hij altijd bij zich had, werd afgenomen. Het voelde alsof zijn echte identiteit hem werd afgenomen, terwijl hij ‘Dirk Smit’ was. Willem vroeg waar zijn kameraden uit Nieuwe Krim waren, maar hij kreeg het niet te horen. Pas de volgende dag zag hij hen weer, nadat hij verder vervoerd was naar Düsseldorf. Hier werden de mannen tewerkgesteld bij Rheinmetall Borsig. Ze woonden samen met een grote groep Nederlanders  in een barakkenkamp, tegenover een schuilkelder. Regelmatig was er  een bombardement; dan schuilden ze in die kelder. Dat er niet alleen jongens doodgingen door slechte werkomstandigheden of mishandeling, maar ook bij die bombardementen, vertelt hij niet.

Hij zwijgt even, hij kijkt naar Anna. Er was sprake van een transport naar Polen omdat veel werkplaatsen in Düsseldorf door bombardementen vernietigd waren. Maar begin april was het daarvoor al te laat. Het zag er naar uit dat de oorlog snel klaar was.

‘Ik heb geluk gehad’, zegt hij. ‘Toen de geallieerden binnenvielen, was het voorbij. We waren vrij. We wilden natuurlijk zo snel mogelijk naar huis. Maar hoe doe je dat in een land dat volledig in puin ligt?’

 

28. ‘Begin mei 1945

zijn we vertrokken uit Düsseldorf. Ik sloot me aan bij een groep Nederlanders. We hadden niks, ik liep op deze slechte schoenen. Mijn voeten waren zó pijnlijk dat ik af en toe moest stoppen en langs de kant van de weg ging zitten. We liepen in de richting van Venlo, een tocht van drie dagen. Onderweg kreeg ik buikpijn en begon ik te hoesten.

Duinen-28 Veldhospitaal
In Venlo ben ik in een Amerikaans legerkamp gestrand. Die Amerikanen zaten al sinds maart in Venlo. Ik heb een week in de ziekenboeg gelegen, totdat een arts erachter kwam dat ik een blindedarm-ontsteking had. Ze hebben me meteen geopereerd. Er was geen fatsoenlijk ziekenhuis in de buurt. Daarna heb ik nog tweeëneenhalve week moeten herstellen. Ik vroeg nog of ze op een of ander manier contact wilden opnemen met jullie, maar er was geen mogelijkheid.
Toen ik weer wat kon eten, begon ik aan te sterken. Ik kreeg dat nieuwe medicijn voor mijn longontsteking, hoe heet het? Penicilline. De Amerikaanse soldaten krijgen het vaak tegen ontstekingen. Ik voelde me bevoorrecht dat ik daar in die ziekenboeg lag. De soldaten gaven ons sigaretten en chocola. Ik heb er voor het eerst weer een echte sigaret gerookt. Die Amerikanen zijn prachtige lui.’

Anna zit op het puntje van haar stoel te luisteren naar Willems verhaal. Ze raakt hem aan, ze streelt hem over zijn arm.
‘Maar waarom heeft het dan zo lang geduurd voordat je weer thuis kwam?’ vraagt ze.
Toen ik begin juni weer zo ver was om te vertrekken, gaf ik op hun vraag waar ik naar toe moest als antwoord “Nieuwe Krim”. Dus heb ik de trein naar Assen genomen en ben ik verder gereisd naar Nieuwe Krim. Aan een man uit Hillegom, die ik ontmoet had in Venlo, zei ik dat hij aan jullie moest gaan zeggen dat ik nog leefde. Maar dat heeft hij dus niet gedaan.’

‘Waarom ben je naar Nieuwe Krim gegaan?’ vraagt Anna.
Willem slikt een paar keer voordat hij antwoordt.
‘Ik wilde weten hoe het Dirk Helmantel was vergaan’, zegt hij. ‘En als hij nog zou leven wilde ik hem bedanken voor wat hij allemaal voor me gedaan heeft. Het klinkt jullie misschien vreemd in de oren dat ik dat wilde, maar ik moest het gewoon doen. Als ik meteen naar Katwijk was gegaan, dan zou ik dat niet zo snel meer gedaan hebben.’

‘Maar je kon hier in Katwijk toch ook contact opnemen met die boer?’
‘Ik wilde het persoonlijk doen.’
Even is het stil in de kamer. Alleen het tikken van de klok is hoorbaar.
‘En?’ vraagt Gerrit, ‘hoe was het met hem?’
Willem kijkt hem aan en begint dan te glimlachen.
‘Hij leefde nog. De moffen hadden hem gespaard. Terwijl ze vanuit hun oogpunt reden hadden gehad om hem te vermoorden. Maar ze hebben hem gewoon achtergelaten, zonder actie te ondernemen. Soms doen mensen het goede terwijl ze het slechte doen. Ik denk dat ze te veel met ons bezig waren. Hij was blij me weer te zien. Ik heb hem en zijn vrouw een paar dagen geholpen. Dat was het minste wat ik heb kunnen doen als dank. Daarna ben ik naar huis gegaan. En zie: hier ben ik.’

Nu komt ome Cor ook de kamer binnen. Zijn mond valt letterlijk open van verbazing.

‘Willem!?’

‘In âgge persoon, ome Cor’, zegt Willem. ‘In âgge persoon.’

 

29. ‘Man, dat ik dat nog mag meemaken!’,

roept ome Cor. Ze omhelzen elkaar. Willem kijkt naar zijn vriend Gerrit Zuijderduijn. ‘Dat ik nog leef, heb ik te danken aan Gerrit zijn ome Hans in Bussum’, zegt hij. ‘Een fantastische kerel.’

‘En hoe was het al die tijd bij de boer?’, vraagt Anna. ‘Ik bedoel: vóórdat je naar Duitsland moest.’

‘O, de boer en zijn vrouw waren goeie mensen. Ze hebben veel voor me gedaan. Maar eerlijk gezegd waren het vooral jouw brieven die me echt op de been hielden. Die heb ik in Düsseldorf moeten missen. Ik vraag me nog steeds af hoe je die brieven bij me gekregen hebt.’
Anna glimlacht. ‘Ze zijn af en toe meegesmokkeld via een betrouwbare kennis van Fientje. Je moet het me verder niet vragen, ik wil het ook niet weten. Maar nu weet ik wel dat je ze hebt gelezen.’

Diezelfde avond zit de hele familie Boomakkers met Willem en Gerrit gezamenlijk aan tafel.‘Wat een voorrecht dat we ons zo door de oorlog heen hebben geslagen’, zegt Hendrik Boomakkers als een echte pater familias. ‘Terwijl er zoveel onschuldige mensen zijn gestorven.’

‘Hoe is het met Jan Oldenboer?’, vraagt Willem. ‘Is die nog opgepakt?’
‘Hij zit gevangen in afwachting van een proces’
, zegt Hendrik. ‘Maar ik geloof niet dat hij veel heeft misdaan.’

Dat weten we niet vader’, zegt Anna. ‘Wie weet wat er allemaal nog boven tafel komt.’

***

Twee maanden na het einde van de oorlog pakt Willem de draad weer op. Hij woont weer bij zijn zus Fientje in de Stengelinstraat en gaat naar de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam, vlakbij het Centraal Station. De spoorverbindingen zijn hard bezig om weer als vanouds te worden, waardoor de treinen redelijk op tijd rijden.

Willem moet hard studeren. Avond aan avond zit hij met zijn neus in de boeken: Leerboek der Zeevaartkunde, Maritieme meteorologie en oceanografie, Praktische Scheepsbouw. Soms dooft Fientje al de lamp. ‘Zou je niet eens naar bed gaan, Willem?‘ zegt ze.
Hij kijkt op uit de verzameling wolkenluchten die hij zojuist uit het hoofd heeft zitten leren: cumulus, cirrus, altostratus, cumulonimbus.

‘Fien, hoelang is het nou geleden dat we in het weeshuis zaten?
‘Lang’, zegt ze.
‘Leeft Barnhoorn nog?’
Ze schudt het hoofd. ‘De weesvader heeft de oorlog niet overleefd.
Willem zwijgt. Wat valt er te zeggen? Wat valt er te doen aan de verschrikkingen die de oorlog heeft teweeggebracht. Soms lijkt het allemaal zo zinloos.

Als hij in augustus 31 jaar wordt, krijgt hij van Hendrik en Marie Boomakkers een boek cadeau: Babad Tanah Djawi in proza, Javaansche Geschiedenis door W.L. Olthof. Voorin schrijven Hendrik en Marie: ‘Augustus 1945, Van vader en moeder. Voor Willem’.

Op een zondag in september maken Willem en Anna een duinwandeling. Als ze zich in een duinpannetje willen neervlijen, komt er onverwachts een druk gesticulerend mannetje over de duintop aangelopen. ‘Kijken jullie uit voor mijnen!’, roept hij schel. ‘Kijk uit voor mijnen!’ En hij loopt verder.

‘Mijnen?’, zegt Anna verbaasd. ‘Ik heb er niet aan gedacht. Jij?’
‘We moeten op het zand blijven, niet op de begroeide stukken’, zegt hij. ‘Maar die man heeft gelijk. Laten we maar teruggaan.’
Ze staan op en willen via dezelfde weg teruglopen naar het dorp. Maar dan kijkt Willem haar indringend aan. Het is duidelijk dat hij iets belangrijks wil zeggen of vragen.

Anna hapt naar adem. Omdat ze het al weet. Maar eerst laat ze niets merken.
‘Lieve Anna’, zegt hij. Ze glimlacht.
‘Wil je…? Wil je…?’
Maar ze knikt al. Ze laat hem zijn vraag niet eens afmaken.

‘Ja, ik wil!’, zegt ze. ‘Ik wil.’

 

30. In het voorjaar van 1946 trouwen ze.

Willem is 31 jaar en Anna is 24. Marie Boomakkers maakt met hulp van een kennis een mooie lange bruidsjurk. De oudste dochter van Fientje en een buurmeisje zijn bruidsmeisje. Ze worden in de Nieuwe Kerk getrouwd door dominee Rutgers. Er is een bescheiden feest in het Jeugdhuis aan de Voorstraat, naast de kapel, de ‘Zaal van Protestantse Belangen’. Na hun huwelijk nemen zij hun intrek op een bovenwoning aan de Voorstraat. Willem gaat door met zijn studie aan de Zeevaartschool, Anna bestiert het huishouden. Zo nu en dan gaat ze haar ouders helpen met de groentewinkel.

Niet lang na hun huwelijk doet Willem eindexamen aan de kweekschool van de Zeevaart. Na zijn eindexamen in 1947 is hij derde stuurman. In datzelfde jaar vaart hij voor rederij Vinke & Co op het motorschip (MS) Linge naar Curacao. Als hij vertrekt, compleet in zijn officiersuniform, staan familie en buren buiten om hem uit te zwaaien.

‘Ik moet het effe op de gevoelige plaat zetten‘, zegt ome Cor. ‘De meeste Kattekers zitten op de visserij en stappen met een trawlzak over hun schouder op de bus naar IJmuiden, behalve Willem. Die mot het zo nodig weer ârs doen.

In oktober 1948 behaalt Willem het diploma tweede stuurman grote handelsvaart. Zijn reizen naar de Antillen en enkele Zuid-Amerikaanse landen duren lang, soms langer dan een jaar. Tussendoor heeft hij een week of zeven verlof, maar die zijn snel voorbij.
Het is een zwaar leven. Niet alleen voor Willem zelf, maar ook voor Anna, die maandenlang onbestorven weduwe is. Telkens als Willem weer vertrekt, huilt ze en vraagt ze hem waarom het toch zo moet zijn. Hij zegt haar dat ze elkaar maar veel moeten schrijven.

In de zomer van 1949 schrijft Anna hem een lange brief uit Katwijk.

‘Liefste!

Al sinds de dag dat je weg bent, mis ik je. Twee maanden alweer weg, nog drie te gaan. Hoe kom ik die tijd door. Sinds de oorlog heb ik het gevoel dat ik je geen moment meer kan missen. Het is soms zwaar, het leven van een zeemansvrouw. Ik ga vaak naar Annie Dijkhuizen, die in hetzelfde schuitje als ik zit. Wat dat betreft hebben de vissersvrouwen het beter. Die hoeven maar een paar weken zonder hun man.

Hier in Katwijk gaat alles zo zijn gangetje. Met vader en moeder is het goed. Vader heeft zijn fruit uitgebreid met grapefruits en ananas. Dat vindt gretig aftrek. Met ome Cor gaat het ook nog wel. Hij wordt wel wat ouder nu, hij is sneller moe en ligt ’s avonds al vroeg op bed. Hij maakt ook minder foto’s. Met Fientje is alles goed, ze verwacht de derde. Dan word jij alweer oom.

 

Duinen-betoging Den Haag voor zeehaven Katwijk
Betoging in Den Haag voor een vissershaven in Katwijk.

Verder is Katwijk druk bezig een eigen vissershaven te krijgen. Burgemeester Woldringh van der Hoop wil met honderden Katwijkers naar Den Haag om zijn wens kenbaar te maken. Daar zullen ze in IJmuiden, Scheveningen en Vlaardingen niet blij mee zijn, maar ja, het is natuurlijk vreemd dat we nooit een eigen zeehaven hebben gehad…’

Een week later stuurt ze er een brief achteraan, die als volgt opent:
‘Lieverd, ik heb groot nieuws! We verwachten een kindje! Ik ben bij de dokter geweest en hij heeft het bevestigd. Ik ben zo blij. Het is moeilijk om het voor me te houden, maar over enige tijd zal iedereen het zoetjes aan wel gaan zien. Dan zal ik het ook moeder vertellen. De dokter zei dat ik al twee maanden in verwachting ben. Zoals het er nu naar uitziet zal ons kind in het voorjaar van 1950 geboren worden, omstreeks 10 april. Ik hoop dat je dan verlof kunt krijgen.’

Willem rent naar de brug, naar de kapitein. ‘Hijmans!
De kapitein draait zich om.
Ik word vader!
De kapitein lacht en slaat hem gemoedelijk op zijn schouder.
Gefeliciteerd ouwe Katteker‘, zegt hij.

 

31. Op 3 april 1950 beginnen de weeën.

Anna Boomakkers gaat naar het Elisabeth Ziekenhuis op de Hooigracht in Leiden waar ze door de nonnen wordt verzorgd. Bevallen kan ook in het Diaconessenhuis aan de Witte Singel of in het Academisch Ziekenhuis, maar daar is het vaak nog overvol vanwege de naoorlogse geboortegolf, die nu bijna op zijn retour is. Anna kiest heel onorthodox voor het Elisabeth. Kritiek als ‘is dat iet te rooms?‘ wuift ze weg met de uitspraak: ‘Sinds wanneer is een roomse bevalling minder dan een protestantse?

Duinen-32-St Elisabethziekenhuis‘Is dit uw eerste kind‘, vraagt een van de nonnen.
Ja, en als ik het zo voel ook meteen de laatste‘, antwoordt Anna. De non glimlacht. ‘De dokter komt zo.
Anna ligt op een verlosbed achter een gordijn. Haar moeder zit naast het bed. Aan de andere kant van het gordijn ligt ook een vrouw te bevallen, aan haar tongval te oordelen een rasechte Leidse. Ze krijst de halve stad bij elkaar: ‘Moederrr! Ik stopt errrmee! Ik gaat naar huis. Jullie kenne doen wat jullie wille, maarrr ik gaat naar huis.’
Dat kan niet’, hoort Anna de dokter tegen de vrouw zeggen. ‘U heeft volledige ontsluiting. Het kind komt nu zo, we gaan persen.’

‘Hoe lang moet ik nog?’ vraagt Anna aan haar non, die ondanks het lawaai rustig heen en weer lijkt te zweven.
U bent bijna zover‘, zegt de non. ‘Nog even rustig ademen. De dokter komt zo. Zit uw man op de gang?
Nee’, zegt Anna. ‘Hij is onderweg, toevallig ligt zijn schip in Rotterdam. Maar hij had erop gerekend dat het kind volgende week pas komt.
Ze trekt haar gezicht in een grimas. Er komt weer een wee. Anna knijpt in de handen van haar moeder. De gynaecoloog komt binnen, hij is een lange man met een strenge uitdrukking, maar zijn stem klinkt vriendelijk. ‘Er is nog maar een klein randje dat in de weg zit‘, zegt hij, nadat hij heeft getoucheerd. ‘We kunnen bijna beginnen.’
Anna hoort echter amper wat hij zegt, ze heeft enorme persdrang en houdt het bijna niet meer. De arts wenkt de non.

Veertig minuten later wordt er een jongen geboren. Marie heeft tranen in haar ogen en legt haar hand op het hoofd van Anna. Nadat de navelstreng is doorgeknipt, neemt de non het kind even apart om het te wassen.

De dokter zegt dat er nu nog even gewacht moet worden op de nageboorte. Maar als Anna plotseling weer een hevige wee krijgt, kijkt hij verbaasd naar haar buik. Dan legt hij zijn hand erop en voelt.

Lieve hemel!’ zegt hij opeens. Anna kijkt hem verbaasd aan. Maar dan zegt hij het nog een keer. ‘Lieve hemel!

Het is overduidelijk dat hij iets vreemds gemerkt heeft.

*****

Zes uur later zwaait de deur open. In de deuropening staat Willem Duinen, gebruind door de lange hete reis.
En?
Anna glimlacht en wijst naar een wiegje langs de muur.
We hebben een zoon.’

Duinen loopt op het bed af en omhelst haar, hij knijpt zijn lippen samen alsof hij iets wil wegslikken. Daarna loopt hij naar de wieg.
Bart‘, zegt hij met een vertederd gezicht.
Ja’, zegt Anna, ‘Bart, naar je vader. Maar wat dacht je van Henk? Naar mijn vader?
Willem kijkt haar niet-begrijpend aan. Ze glimlacht en wijst naar de andere kant van het bed waar ook een wiegje staat. Hij loopt om het bed en werpt een blik in de wieg. Ook daar ligt, heel klein en iel, een baby.
Allemachtig‘, zegt hij.
En dan, terwijl de tranen hem in de ogen springen, zegt hij nog eens: ‘Allemachtig.’

Een tweeling’, zegt Anna.
Een tweeling‘, herhaalt Willem trots.

 

32. Het is bijna Kerst, ruim 2 jaar later

Zaterdag 20 december 1952 is een koude dag. Het is nog geen vier graden en het is de hele dag bewolkt. Anna staat vroeg op, want vandaag komt Willem met verlof. Eindelijk is hij weer eens thuis met Kerst en Oud en Nieuw. Speciaal hiervoor heeft ze een kerstboom neergezet. Met echte kaarsen, die op kerstavond aangestoken zullen worden. De emmer water staat er al naast.
Hendrik en Anna zijn al een keer wezen kijken naar de boom. Ze zeggen dat Anna elektrische lampjes moet kopen, wat veel veiliger is. Maar Anna houdt meer van de sfeer van echte kaarsen.

Anna gaat deze ochtend koffie drinken bij Willems broer Arend, die vorig jaar getrouwd is met Loes Kwakernaak. Ze wonen aan het einde van de Sluisweg. Anna brengt de tweeling bij haar moeder en gaat op pad. Ze loopt door het Noordeinde, langs de werkplaats van Dubbeldam naar de Tramstraat. Daar steekt ze de tramrails over en loopt langs het politiebureau naar beneden in de richting van het ‘knael’. Hier bevindt zich een stenen muurtje met daarachter het dammetje van Jan Guyt, een vrijgezelle vriend van Anna’s vader Hendrik Boomakkers. Guyt woont er al sinds mensenheugenis. Zijn woning is nooit gemoderniseerd, hij gaat nog altijd buiten naar de plee. Anna loopt stevig door, de wind is behoorlijk fris.

Opeens staat ze stil en kijkt om zich heen.
Wat hoorde ze daar nou?
Het gehuil van een baby?
Ze draait zich naar het muurtje langs het plaatsje van Guyt, het is net of het geluid daarachter vandaan komt.
Staat er een kinderwagen?
Ze doet een stap naar het muurtje. Weer gehuil. Dan kijkt ze over het muurtje heen. Eerst ziet ze niets, maar al gauw valt haar oog op een kleine kartonnen doos in de hoek van het muurtje en een hogere muur. Vreemd, het lijkt of het gehuil uit de doos afkomstig is.
Maar dat kan toch niet?
Een baby in een doos?

Anna kijkt om zich heen; nergens iemand te bekennen. Als het waar is, dan… Wie legt er nou een baby in een doos en laat het kind dan in de steek? Ze loopt naar de doos en kijkt erin, een blauwgrijs dekentje beweegt. Dan haalt ze het dekentje voorzichtig naar zich toe en… Daar ligt een klein donkerharig baby’tje van nog geen paar dagen oud. Het kind huilt nog altijd. Het krijst.

Anna is verbijsterd, ze bevriest in haar bewegingen en ziet alleen nog maar dit kind. Het is dik ingepakt, dat wel. Maar een kind, in deze kou, in een doos?  Ze loopt naar het raam van Guyt en tikt. Niemand thuis. Dan pakt ze de baby op en drukt het kind tegen zich aan. Het stopt met huilen. Anna beweegt het zachtjes heen en weer.
‘Ach kind, stil maar. Wie heeft jou hier zomaar neergelegd? Waar is je moeder?’

Er loopt een wat oudere vrouw voorbij, Anna ziet dat het mevrouw Nelissen uit de Badstraat is. Ze vraagt haar of ze het kind herkent. Mevrouw Nelissen schudt het hoofd. Nu komen er meer mensen aanlopen, nieuwsgierigen. Niemand geeft een blijk van herkenning.
‘Een vondeling!’ roept iemand.
Anna besluit snel terug te lopen naar huis, om te voorkomen dat het kind onderkoeld raakt.

Op 22 december verschijnt er een advertentie in de krant:
De politie, afdeeling recherche verzoekt inlichtingen omtrent een baby van het vrouwelijk geslacht, een meisje van ongeveer een week oud, dat eergisterochtend omstreeks 10 uur nabij een woning aan de Loggerstraat is aangetroffen. Het meisje was gewikkeld in een blauwgrijs wollen dekentje dat bestaat uit twee aan elkaar genaaide stukken. De baby was gekleed in een kamizool, borstrokje, een luier, een omslagdoek, blauwe sokjes en een wit hoofdkapje. Het heeft donker en naar blauw neigende ogen. Het gewicht is omstreeks 3150 gram. Inlichtingen omtrent dit kind aan de politie alhier.

In de keuken van het bovenhuis aan de Voorstraat zitten Anna, Marie, Hendrik en ome Cor aan tafel. Aan het hoofdeinde zit een ambtenaar van de Kinderbescherming. Hij schrijft dingen op in een boekje. Dan zegt hij dat het kind voorlopig bij Anna mag blijven. Er is weliswaar een zoektoch op touw gezet naar de moeder, maar voorlopig mag het nog even bij Anna blijven.
Bij hoge uitzondering, zegt hij. ‘Het is eigenlijk in verband met de kerstdagen, mevrouw. Als we de moeder na de feestdagen nog niet gevonden hebben dan moet de voogdij worden geregeld. En een kindertehuis of een pleeggezin. Morgen zullen we aangifte doen bij de burgerlijke stand. U mag een voornaam verzinnen. Als achternaam zullen we voorlopig “Van Katwijk” nemen, naar de vindplaats van het kind.’

Ach, dat arme wurm’, zegt Marie als de ambtenaar weg is. ‘Naar een kindertehuis.’
Anna schudt het hoofd. Ze kan nog altijd niet begrijpen wat er gebeurd is.
Er komen regelmatig mensen langs. Haar vriendin Millie van Egmond komt kijken, Gerrit Zuijderduijn en Karel en zijn vrouw. En Arend en Fientje. Allemaal bewonderen ze het kind.
Het Kerstkind‘, zegt Gerrit.
Alleen de tweeling begrijpt niet goed wat er is gebeurd. Opeens hebben ze een klein zusje in huis.

Als Willem Duinen diezelfde middag met zijn koffer uit de tram komt, is hij verbaasd. Niemand bij de tramhalte. Geen Anna die hem opwacht. Geen ome Cor of Gerrit. Terwijl ze weten dat hij nu thuiskomt.
Hij kijkt op zijn horloge en loopt door de Badstraat langs de kerstetalages. Ontelbare vrolijke lampjes schijnen naar buiten. Overal mooie kerstversiering, bij horloger Parlevliet in de Badstraat, bij banketbakkerij De Kort op de Voorstraat, bij schoenhandel Haasnoot op de hoek Voorstraat-Noordeinde en bij Liesveld-Schuitemaker in de Dwarsstraat. Iedereen heeft deze feestdagen zijn beste beentje voor gezet.

Het is nu pas zeven jaar na de oorlog, maar wát een andere wereld. Willem ademt diep in als hij voor zijn huis staat. Hij is weer thuis, in zijn eigen Kattek. Hij kijkt omhoog, naar de lucht. Zou er sneeuw in zitten?

Op dat moment komt de buurjongen naar buiten. ‘Wellekom!’ zegt hij. Willem groet terug.
En ook nog gefeliciteerd’, zegt de buurjongen.
Waarmee?’ vraagt Willem.
O nee, sorry. Dat mag ik nog niet zeggen. Nou ja, ga maar naar binnen. Anna zal het je wel zeggen.

Willem tilt zijn koffer op en belt aan. Anna stormt naar beneden en valt hem om de hals.
Wat is er gebeurd?‘ vraagt hij.
Hoe…? Wat weet je daarvan?
‘Waarvan?’
‘Van het kerstkind?’
‘Kerstkind!?’
‘Nou ja, zo noemt Gerrit het.
Waar heb je het over?’
Ze pakt zijn hand. ‘Kom mee.’

Willem kan geen woord uitbrengen als hij het kind ziet. Eerst denkt hij dat het zijn eigen kind is, maar hij weet dat het niet zo kan zijn. Dan zou Anna het hem allang hebben geschreven of het hem uitgebreid hebben laten weten via Scheveningen Radio.
Een uur later zit hij met het kind in zijn armen naast de kerstboom. Henk en Bram hebben hun cadeautjes van papa uitgepakt en spelen ermee. Willem zit er beduusd bij.

Een kerstkind‘, zegt hij zacht. ‘Je zal maar verstoten worden door je moeder.
‘Misschien handelde ze in paniek’, zegt Anna.
Ja, het is een raar kerstfeest’, zegt Marie, die samen met Hendrik op visite is.
‘Zeg dat wel’, zegt Hendrik. ‘Maar laten we niet vergeten dat het goed is dat je weer veilig thuis bent, Willem.

Twee dagen later eten ze verschillende soorten groenten met een mooi stuk gebraden vlees. En ijs toe.
Wát een feestmaal‘, zegt Hendrik met een zucht. Dan pakt hij de bijbel en leest het kerstevangelie van Lucas.
Anna glimlacht, maar haar geest dwaalt naar elders.
Hoe moet het toch met het kind? Hoe moet dat toch?

 

33. De ambtenaar van de
burgerlijke stand vindt het vreemd.

Hij is niet te spreken over het optreden van de politie. Normaal gesproken moet een vondeling naar een speciale opvang of een kindertehuis. Terwijl er uitgebreid wordt gespeurd naar de ouders van het kind, moet het kind daar blijven. Daarna wordt besloten waar het kind moet wonen, in afwachting van een uitgebreidere procedure waarin bepaald wordt wat er verder met het kind gebeurt: plaatsing in een pleeggezin of adoptie.
Dat het kind tijdens de kerstdagen bij Willem en Anna mocht blijven, vindt de ambtenaar maar een vreemde gang van zaken.

‘Is de dokter al geweest?’ vraagt hij. ‘En waarom is het kind niet naar het ziekenhuis gebracht?’
Anna zegt dat de politie het samen met de kinderbescherming zo heeft besloten. De dokter is inderdaad langs geweest en vond het kind in goede gezondheid. Ze overlegt een gezondheidsverklaring. Het kind krijgt flesvoeding en het valt niet meer af in gewicht.

De ambtenaar brengt Willem en Anna bij burgemeester Woldringh van der Hoop.
‘Als de voogdij is geregeld kunt u zich aanmelden als pleeggezin’, zegt hij. ‘Maar dat is aan de rechter.’
Willem en Anna zeggen dat ze erover zullen nadenken.

De vondeling krijgt voorlopig de naam Ria van Katwijk. Ze blijft nog enkele dagen bij de familie Duinen. Er komt een journalist van het Leidsch Dagblad aan de deur, en er wordt contact opgenomen door iemand van het weekblad Panorama.
‘Kijk maar uit’, zegt ome Cor, ‘straks worden jullie nog beroemd’.
Anna houdt alle interviews af. Ze vindt het allemaal al erg genoeg voor de moeder en het kind. Maar iedereen in de buurt klampt haar aan om het laatste nieuws te vernemen.

Vlak voor Oud en Nieuw moeten ze toch afscheid nemen. De moeder is nog steeds niet opgespoord. Vermoedelijk is ze geen Katwijkse. Ze zou net zo goed uit Amsterdam, Utrecht of Gouda afkomstig kunnen zijn. In paniek afgereisd naar de kust en daar het kind ergens achtergelaten. Er zijn geen getuigen. Niemand weet hoe het zit.
Anna kust het kind en geeft het over aan de verpleegster die naast de ambtenaar staat en het liefdevol in haar armen neemt.
‘We zullen goed voor haar zorgen’, zegt ze.
Anna knikt, kust de baby nog eenmaal op het voorhoofd en loopt dan weg. Willem laat de ambtenaar en de verpleegster met het kind uit. Ze stappen in een auto. Hij kijkt de auto nog lang na, totdat deze om de bocht aan het einde van de Voorstraat verdwijnt.

Anna richt al haar aandacht weer op de tweeling. Het was een bijzonder intermezzo, en het kind is nu in goede handen, zo redeneert ze. Maar ’s avond in bed, met Willem, huilt ze zacht. ‘Zo’n arm kind’, zegt ze.
‘Stil maar’, zegt Willem. ‘Dat kind krijgt het goed. Ik heb in Nicaragua en Brazilië wel anders gezien. Daar worden sommige kinderen aan hun lot overgelaten. Ze zwerven door de stad en hebben nauwelijks fatsoenlijk te eten.’

Zo begint 1953 vreemd en ongewoon voor de familie Duinen. Zowel bij de Duinens als bij de Boomakkers wordt nog weken gesproken over de gebeurtenissen. Tot de eerste februari aanbreekt.

Duinen 33-Storm 1953
Schade aan Katwijkse Boulevard na de storm.

In de nacht van 31 januari op 1 februari horen Willem en Anna de wind beuken op de dakpannen en de dakkapel. Een zware noordwesterstorm. Als ze die zondagochtend wakker worden is het nog niet meteen duidelijk, maar in de loop van de dag horen ze dat een deel van de Boulevard met daarop de muziektent door de zee is weggespoeld. Pas in de loop van de avond wordt de omvang en de ernst van de Watersnoodramp echt duidelijk.

 

In Nederland vallen 1.836 doden.

 

34. Half februari gaat Willem naar zee.

Zijn reis voert weer naar Zuid-Amerika. Zeven maanden later komt hij terug. Inmiddels is het fenomeen televisie in Nederland aan een kleine opmars bezig. En als op 25 oktober 1953 in Rotterdam de interland Nederland-België wordt gespeeld, die op de televisie wordt uitgezonden, is dat voor Willem aanleiding een televisietoestel aan te schaffen.
Dat kunnen we nu makkelijk betalen’, zegt hij.

Televisietoestellen zijn nog schaars in Katwijk, maar bij de firma Schaart in het Waaigat zijn fraaie toestellen te koop die gemaakt zijn van het mooiste hout. ‘Het is een schitterend meubelstuk, dat zal je zien, Anna.’
Het apparaat wordt thuis geïnstalleerd, een knecht van Schaart gaat het dak op om de antenne aan de schoorsteen te monteren. Hij draait de antenne en vraagt herhaaldelijk of het beeld goed is. ‘Ja, nu is het best‘, zegt Willem na een kleine twintig minuten.

De familie Duinen is de derde familie in de Voorstraat met een tv-toestel. Als er in de jaren daarna op woensdag- en zaterdagmiddag een kinderuitzending is, komen alle kinderen uit de straat bij hen tv kijken. De gang staat vol met schoentjes. De tweeling Bart en Henk zitten er tussen en kijken met grote ogen naar wat daar in dat kastje te zien is. Ze kijken naar programma’s als Dappere Dodo en Hokus Pokus. En ze zwaaien terug naar televisieomroepster tante Hannie, die altijd vriendelijk gedag zwaait.

Jullie horen tot de eerste gelukkige Kattukers met een televisie‘, zegt Gerrit Zuijderduijn, die regelmatig op visite komt bij Willem en Anna. Hij is inmiddels getrouwd met Janna van der Gugten uit Katwijk Binnen. Volgens Gerrit ‘de liefste vrouw van de wereld’.
Janna wilde graag dat ze in Katwijk Binnen zouden gaan wonen, maar dat is voor Gerrit een brug te ver. Bij wijze van compromis strijken ze neer in de Piet Heinlaan bij het Witte Hek, een kleie eindje slechts in de richting van Katwijk Binnen.

Als Willem thuis is van zee, komen Gerrit en Janna wekelijks op visite om een spelletje te doen, waarbij ze pelpinda’s eten. De mannen drinken oude jenever, de dames wagen zich aan de Anisette, een zeer zoete, maar erg geliefde anijslikeur.

*****

Aan het einde van het jaar komt er iemand van de Raad voor de Kinderbescherming met nieuws over de vondeling. De moeder van het kind is helaas niet gevonden. Het kind zal geplaatst worden in een pleeggezin. Willem en Anna kunnen zich daarvoor aanmelden, maar de hele procedure kan wel een poos duren.
Ze overleggen met elkaar wat zij zullen doen. Anna staat er als zeemansvrouw vaak alleen voor en heeft haar handen vol aan de tweeling. Ze moet er nog even over denken, zegt ze tegen Willem. Hij vindt dat een wijs besluit. ‘Je kan beter maar geen overhaaste beslissingen nemen’, zegt hij.

Hoewel de peuters Bart en Henk een tweeling zijn, verschillen ze nogal in karakter, wat aan de huisarts de opmerking ontlokt dat er sprake moet zijn van een twee-eiige tweeling, iets wat de arts in het ziekenhuis ook al vermoedde.
Bart is een vrij rustig kereltje dat al vroeg met zijn neus in de boeken zit en stil en tevreden naar de tv kan blijven kijken. Henk daarentegen heeft weinig zitvlees en zit al snel boven op aanrechten en kasten, op daken van schuurtjes en fietshokken. Bij de dorpsboerderij van Verdoes aan de Lijdweg is hij elke dag wel te vinden, is het niet in de paardenstal, dan wel in de hooiberg of achter de knorrende varkens in het stinkende varkenshok.
‘Hij lijkt op jou’, zegt Anna herhaaldelijk tegen Willem. ‘Hij is gewoon niet te gebieden.’

 

35. Willem heeft nog één tante.

Het is zijn tante Alida. Ze woont op de Meerburgkade in de rooie buurt. Tante Alida is een zuster van zijn vader, ze loopt tegen de tachtig. Een godvruchtige vrouw, elke dag nog helemaal in Katwijkse klederdracht. Bij het aankleden wordt ze geholpen door haar dochter, Willems nicht Geertje, die bij het overlijden van zijn moeder aanwezig was geweest.

Tante Alida heeft de vorige eeuw nog bewust meegemaakt. Ze heeft de schilders nog op het strand tussen de bomschuiten zien zitten en weet nog wie er logeerden in het Groot Badhotel, Logement De Zwaan en Pension Kruyt. Ze zag deftige lui croquet spelen op het strand en had zelf nog op de bouwplaats van de Nieuwe Kerk rondgehuppeld. In haar jonge jaren was ze een poosje nettenboetster geweest, tot ze trouwde met ome Dirk en kinderen kreeg.

Tante Alida zit nog steeds elke zondag in de kerk. Maar alleen ’s morgens. Jaren geleden is ze gestopt om twee keer per zondag te gaan. ‘Ik denk dat onze lieve Heer het me wel vergeeft’, zegt ze met berusting in haar stem.

Willem en Anna zoeken tante Alida zo nu en dan eens op. Elke keer strijkt ze Willem dan door zijn krullen en verontschuldigt ze zich voor het feit dat hij als weeskind niet bij haar in huis mocht komen, maar naar het weeshuis moest.
Ik had t’r al zeuve. Ut wier een beetje te vol in huis. Me hart was er goed genog voor hoor, maar je ome Dirk was er op teuge. Hij had het toen al an z’n rikketik, mot je rekenen.’
Willem stelt haar gerust. ‘Het geeft niet tante Alida, ik heb met Fientje een beste tijd gehad in het weeshuis.’

Toen Willem vlak na de oorlog nog weken spoorloos verdwenen was, kwam tante Alida elke dag bij Boomakkers aan de deur. Getooid in haar dracht

Duinen 35-klederdracht
Katwijkse in klederdracht.

compleet met oorijzer, zijnaalden en kanten muts, gouden parelspelden en oorhangers, m
aar zonder vijfsnoerige halsketting met gouden slot. Die laatste had ze na het overlijden van ome Dirk keurig in het dressoir opgeborgen. ‘Voor as die maid et nog d’ris gaet drege‘. Maar ‘die maid’, Geertje, wilde geen dracht. Ze behoorde tot de nieuwe generatie die niet meer geloofde in de noodzaak van klederdracht.

 

Is er al nieuws?‘ vroeg Alida elke dag aan Anna, Marie en Hendrik. Ze hield het vol tot aan de dag waarop Willem terugkeerde. De volgende dag zocht hij haar op.
Ben je daer klant?” zei ze blij. En ze deed een greep in de snoeppot. ‘Hier he je een partie smousies‘, en ze drukte de snoepjes in zijn hand. Voor tante Alida bleef Willem haar kleine neefje. Een jongen nog, ondanks dat hij al dertig was.

In het voorjaar van 1955 wordt tante Alida ziek. Ze gaat op bed liggen en staat daarvan niet meer op. Willem en Anna zoeken haar op.
‘Wie is taer Gé?’ vraagt ze met zwakke stem.
O, dat benne Wuls van ome Henke, en Anna’, zegt Geertje geduldig.
‘Geef ze maer wat te drinke’, zegt tante Alida. Daarna sluit ze de ogen. Haar ademhaling is snel en oppervlakkig. Anna en Willem schuiven hun stoel bij het bed en staren naar tante. Anna vertelt in geuren en kleuren het verhaal over de vondeling en Willem zegt het een en ander over zijn reizen naar Amerika.
Je wordt nog eris kaptein’, zegt tante Alida langzaam. ‘Je vaeder zou arreg groos eweest hebbe…’

En dan vertelt ze over de grootse plannen die Willems vader ooit heeft gehad, maar die nooit uit de verf kwamen. Willem hoort voor het eerst dat zijn eigen vader ook graag naar de grote vaart was gegaan. Maar er was geen geld voor de studie. Willem denkt terug aan de tijd dat zijn ouders nog leefden. Het lijkt inmiddels zó lang geleden, hij kan hen niet meer precies voor de geest halen.

Een week later, op 8 mei 1955, sterft tante Alida. Voor de ramen van haar huisje aan de Meerburgkade worden witte lakens gespannen.
Ze is rustig heenegaen’, vertelt Geertje. ‘Gé, zee ze, Gé, iet huile want ik gaet naer onze lieve Heer Dát zee ze.

Na haar overlijden blijkt dat tante Alida speciaal geld opzij heeft gezet voor haar begrafenis. Ze wordt plechtig met de rouwkoets naar het graf gereden. De koets is van fraai, zwart glimmend hout. De paarden dragen sierlijke donkere rouwkleden en hebben imposante zwarte pluimen op het hoofd.

‘Ze wilde in stijl begraven worden’, zegt een van Willems neven. Willem kijkt naar het dalen van de kist en slikt iets weg. Daar gaat de laatste persoon van de generatie boven hem. Even is het weer zoals die dag in november 1922, toen zijn moeder begraven werd. Anna pakt zijn hand, zoals Willem zelf 33 jaar geleden Fientjes hand pakte.

 

36. Het is medio 1955.

Met Pinksteren was de eerste file van Nederland op knooppunt Oudenrijn bij Utrecht ontstaan. Verder is de allereerste aflevering van de kinderserie Swiebertje op televisie uitgezonden en treedt Winston Churchill af als premier van Groot-Brittannië.

De regering in Den Haag heeft aan Katwijk laten weten dat een zeehaven voor het vissersdorp ‘onwenselijk’ is, zoals ze dat noemt. Katwijk kan volgens Den Haag heel goed uit de voeten met de haven van IJmuiden. Het actiecomité “Zeehaven Katwijk” heeft een protestbrief geschreven aan de minister van Landbouw en Visserij, maar of dat veel zal opleveren betwijfelen de meeste Katwijkers.

Anna Duinen-Boomakkers gaat in het najaar samen met haar vriendin Millie van Egmond naar Leiden. MIllie is vrijgezel gebleven. Ze is naaidocente geworden aan de huishoudschool aan het Rapenburg in Leiden en heeft het te druk met haar werk. Soms heeft ze wel kortstondige ‘omgang’ met een man, maar dat blijft zoals het woord al zegt: kortstondig.
‘Meid’, zegt Millie, ‘Ik ben zo gesteld op mijn vrijheid. Dan maar een ouwe vrijster.‘ Ze lachen.

Anna heeft de tweeling bij haar moeder gebracht en is daarna meteen met Millie naar de tram gelopen. Het plan is om een gedistingeerd hoedje in baretmodel te kopen, waarmee Vroom & Dreesmann adverteert. De stof is velours chiffon, ‘met grote strik en een garnering van rijnsteen‘. Het hoedje kost 9 gulden 95. ‘Dat moeten we hebben‘, zegt Millie, de meest modebewuste van de twee.

 

Na de inkopen drinken ze koffie bij Ruteck’s lunchroom aan de Stationsweg. Dát is pas een eersteklas uitje. Anna bekijkt de clientèle van Ruteck’s, de mensen die naar binnen komen en de mensen die naar buiten gaan. Plotseling stoot Millie haar aan. ‘Kijk, daar!‘ Anna probeert haar blik te volgen, maar ziet niet wat Millie bedoelt.

Daar! Jan Oldenboer, die ouwe NSB’er.’
Nu ziet Anna het ook. Oldenboer is zojuist Ruteck’s binnengekomen en gaat alleen aan een tafeltje zitten. Hij draagt een mooi pak en ziet er verder goed uit. Ouder, maar niet heel veel ouder.
Oldenboer heeft vlak na de oorlog niet lang in hechtenis gezeten. Al gauw werd bekend dat hij zich niet schuldig gemaakt had aan misdaden. Het enige wat hem werd aangerekend was de fanatieke wijze waarop hij mensen warm probeerde te krijgen voor de Duitse zaak en mannen ronselde voor de Arbeitseinsatz. Verder hield hij zich rustig. Hij nam niet deel aan razzia’s en had geen mensen verraden.

Na de oorlog betuigde hij spijt. Hij had zich vergist, zei hij. ‘Dat is maar makkelijk‘, had Hendrik Boomakkers cynisch opgemerkt toen hij dat hoorde. ‘Zou Hitler zich ook hebben vergist?’
In 1947 ging Jan Oldenboer voor een paar jaar naar zee om als matroos en later bootsman de kost te verdienen. Dat was wat Willem en Anna gehoord hadden. Nu was hij weer aan de wal en woonde ergens in Leiden of Voorschoten.

Oldenboer kijkt rond en ziet Anna en Millie. Meteen staat hij op en loopt op hun tafeltje af. ‘Daar komt-ie’, zegt Millie.
Bij hun tafeltje aangekomen, staat hij stil en neemt zijn hoed af.
‘Millie‘, zegt hij met een korte knik. En dan: ‘Dag Anna. Ik had je bijna niet herkend. Hoe gaat het?
Anna kijkt naar haar oude vrijer en even denkt ze erover om hem de huid vol te schelden. Om hem alles wat er in de oorlog gebeurd is voor de voeten te gooien en hem als NSB’er mooi voor joker te zetten. Maar ze houdt zich in. Door haar hoofd spoken de woorden van haar moeder: Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen.

Wijze woorden van een wijze vrouw. Maar of dat nou ook voor NSB’ers moet gelden?
Dag Jan‘, zegt ze. Hij glimlacht wat ongemakkelijk…

 

37. ‘Ik wou zeggen dat het me spijt‘, zegt hij.

Ik weet dat ik er niets meer aan kan doen, maar het spijt me ontzettend wat ik jullie heb aangedaan.‘ Hij zet zijn hoed op en loopt weer terug naar zijn eigen tafeltje. Het was kort, maar krachtig.
Millie en Anna kijken elkaar perplex aan.

Dit heb ik een NSB’ er nog nooit horen zeggen‘, zegt Millie later in de tram naar Katwijk. ‘Daar moeten we echt de krant bijhalen hoor.
Anna knikt. ‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit‘, zegt ze. Knarsend staat het voertuig stil bij de halte Splitsing-Dorp in Rijnsburg. ‘Trouwens, het ruikt hier echt naar uien.
Wil je ophouden!‘ roept Millie lachend.

 

Thuisgekomen vertelt Anna over het voorval aan haar ouders. ‘Ach, het mocht wat‘, zegt Hendrik Boomakkers. ‘Het is maar wat makkelijk om achteraf spijt te betuigen. Hij had vooraf beter moeten weten.
Marie is milder in haar oordeel. ‘Als die jongen daar nou spijt van heeft, dan heeft hij dat toch? Niemand kan in zijn ziel kijken. Dat kan er maar één.’
Hendrik gaat morrend aan het werk.

 

********

Anna heeft de handen vol aan de tweeling. Bart is een rustig ventje, maar Henk is volgens haar een echte ‘doerak‘. Ome Cor, inmiddels 80 jaar, heeft veel schik om kleine Henkje en legt zijn escapades en capriolen graag vast op de gevoelige plaat. Een uiterst ongewone actie in de keurige jaren vijftig, waarin ondeugend gedrag zeker niet moet worden aangemoedigd door er zogenaamd leuke foto’s van te maken. Daarvoor wordt door gezaghebbende figuren als artsen en dominees ‘ernstig gewaarschuwd’.
Ome Cor, ik wil niet meer dat u dat fotografeert‘, zegt Anna telkens tegen de oude man, die daarop gedwee knikt, maar tegelijkertijd zijn vingers achter zijn rug kruist.

De juf op de fröbelschool wordt wanhopig van Henk, die telkens de neiging heeft naar huis te lopen of gewoon de boel op stelten zet. Bart daarentegen speelt altijd zoet met het speelgoed in de speelhoek. En ook als beide jongens naar de Christelijke Opleidingsschool aan de Parklaan gaan, lopen hun activiteiten nogal uiteen. Bart luistert aandachtig naar de uitleg van de juf of meester, terwijl Henk het liefst iets totaal anders doet, zoals blazen in de inktpotjes of propjes door de klas heen gooien.

Op een dag wordt Anna op school ontboden om op autoritaire wijze door de onderwijzer te worden toegesproken met de woorden dat er van het kind op deze manier niets terecht zou komen. Of ze zich dat wel bewust is?
Natuurlijk weet ik dat‘, zegt ze. ‘Maar wat kan ik eraan doen? Ik kan hem de hele dag door wel straffen. Daar komt geen einde aan. Vroeger pakte ik zijn driewieler af, maar dan ging hij gewoon een straat verderop een andere driewieler stelen. Of ik nam hem zijn step af, maar ook dat werkte averechts. Hij ging gewoon steps verzamelen in de buurt. Beneden in de gang stonden wel zes, zeven van die dingen. De politie stuurde mensen die een step kwijt waren direct naar “de familie Duinen in de Voorstraat”. “Daar kunt u kijken of uw step erbij staat”, zeiden ze dan. Kreeg ik dus al die mensen aan de deur. Ik kan blijven soebatten of hij wat rustiger wordt, maar dat helpt niet.

De onderwijzer kijkt zorgelijk. Je ziet aan zijn gezicht dat hij zelden zoiets heeft meegemaakt. De meeste kinderen zijn gedwee en rustig. Die Henk Duinen zal wel te weinig op zijn falie krijgen, denkt hij. Dat krijg je als een vader te lang van huis is. ‘Mevrouw Duinen, u moet veel strenger voor hem zijn. Zachte heelmeester maken stinkende wonden.‘ …

 

38. Maar dit gaat Anna te ver.

Ze kijkt de onderwijzer vernietigend aan en zegt: ‘Ik maak zelf wel uit hoe ik mijn kinderen opvoed. Daar hoeft u zich niet mee te bemoeien.‘ De onderwijzer deinst achteruit. En als Anna even later terugloopt naar huis, kan ze een klein lachje niet onderdrukken. Zo kent ze zichzelf weer.

In de lange brieven die ze aan Willem schrijft heeft ze over wat Henk allemaal heeft uitgevreten. Toen Anna een keer niet oplette had hij alle meubels, deuren en wanden in huis met VIM ‘behandeld’. En in de groentewinkel van opa en oma Boomakkers kiepert hij regelmatig kisten groenten om. Verder zette hij op een avond de pasgekochte pantoffeltjes van Bart keurig op de brandende kooltjes in de kolenkachel. Daar stonden de stappertjes weg te smelten. Henks verklaring: ‘Ik wilde ze warm maken voor Bart zijn voetjes

Onze Henk is echt een doerak!‘ schrijft Anna aan Willem. Willem leest de brief nog eens over. Hij kan niet ontkennen dat zijn zoon gelijkenissen met hem vertoont. En hij denkt terug aan die keer dat hij zelf op het dak van het weeshuis was geklommen. De appel valt niet ver van de boom, denkt hij.

 

******

In het voorjaar van 1956 wordt in het Diaconessenhuis aan de Witte Singel Willems en Anna’s derde kind geboren: een meisje. Irene heet ze. Meteen laat ze horen dat ze er is. ‘Dat belooft wat‘, zegt gynaecoloog Ferguson.
Willem is dolblij met zijn dochter. Hij houdt haar stevig vast en wil haar bijna niet meer uit handen geven. Maar na een poosje staat hij op en zegt hij: ‘Ik moet nog even twee kisten wijn laten bezorgen aan boord.
Twee kisten wijn?‘ vraagt Anna, terwijl de verpleegster Irene teruglegt in haar wiegje.
Ja, toen ik van boord ging in Pireaus, beloofde ik de bemanning een kist wijn. Eén kist als het jongen zou zijn, twee als het een meisje was. Het zijn er dus twee geworden.
Anna lacht. ‘Het is wel duidelijk dat je liever een meisje wilde.

Een dag later komt er een telegram terug uit Griekenland: – Gefeliciteerd met ‘twee kisten’ – stop – de bemanning – stop.
Anna heeft het nu helemaal druk met de kinderen, vooral Henk vraagt de nodige aandacht. Behalve op school wordt Anna enige tijd later ook een keer ontboden op het politiebureau. Een aardige agent, Jan van Lokeren genaamd, kent haar zoontje Henk Duinen maar al te goed, maar heeft absoluut geen hekel aan hem.
Mevrouw Duinen,’ zegt hij, ‘het is een goeie jongen die nou eenmaal veel kattekwaad uithaalt.
Anna zucht diep. ‘Ik ben blij dat u me tenminste begrijpt’, zegt ze. ‘Ik sta er vaak helemaal alleen voor. Mijn man zit op de koopvaardij en is dus vaak weg van huis. En mijn ouders hebben een winkel, anders konden zij ook wel wat vaker oppassen. En dan heb ik nog een jongen van dezelfde leeftijd, Bart. Het is een tweeling, ziet u. En dan ook nog een baby. Het is druk.

De agent denkt na. Dan zegt hij: ‘Wat zou u ervan vinden als we Henk elke woensdagmiddag op het bureau laten komen, zodat we even met hem kunnen praten. Dan kunnen we ook meteen een oogje in het zeil houden. Wat vindt u daarvan?
Anna haalt diep adem, ze wou dat Willem nu naast haar zat, zodat ze met hem kon overleggen. Maar Willem zit nu ergens in Brazilië en overleggen gaat alleen per telegram of via Scheveningen Radio.
Laten we dat maar doen’, zegt ze. ‘Ik vind het een goed idee.

 

Duinen 38-Politiebureau Tramstraat
Politiebureau aan de Tramstraat

En zo komt het dat Henk Duinen zich wekelijks op woensdagmiddag op het bureau meldt om te vertellen wat hij deze week weer allemaal heeft uitgevreten. Hij ziet het als een gezellig uitje.
We zijn over de schutting bij timmerman Haasnoot geklommen en we hebben alle planken an mekaar getimmerd.
Ik geloof niet dat de timmerman dat erg leuk vindt’, zegt de agent. ‘Dus ik zou dat maar niet meer doen, Henk. En verder? Wat is er verder gebeurd?

Henk denkt na. ‘Mijn vriendje en ik, u weet wel, mijn vriendje Peter, we hebben twee fietsen meegenomen uit de Varkevisserstraat. En toen hebben we een rondje gefietst. En toen hebben we ze in de Jan Tooropstraat neergezet.
Dat mag niet Henk‘, zegt de agent rustig. ‘Dat zijn fietsen van andere mensen. Die mensen zoeken die fietsen nu, begrijp je wel.
Henk knikt.
Verder nog iets?’
‘Ja, we hebben lekker gevulde koeken gegeten bij Van Tongeren.’
‘Had je geld dan?’
‘Nee, maar ze stonden gewoon buiten. Ze waren nog warm. Het waren er heel veel.

Van Lokeren zucht.

 

39. Op reis

Ondanks (of misschien wel vanwege) de drukke werkzaam thuis, besluit Anna in het najaar van 1957 twee maanden op reis te gaan met Willem. Willem Duinen maakt inmiddels reizen in en rond de Middellandse Zee als eerste stuurman op het schip MS Merwede van rederij Vinke & Co.

Ik kan een week of acht met Willem mee naar de Middellandse Zee‘, zei Anna tegen Marie. ‘Maar dat betekent wel dat de kinderen bij u moeten blijven.’
‘Kind, ga maar mee. Wij hebben ze graag‘, zei Marie. ‘Het komt wel goed. En acht weken is nou ook weer niet zo lang.
‘Ik weet niet of ik ze zo lang kan missen‘, zei Anna.
Doe het nou maar‘, zei Marie. ‘Je hebt het nodig. Een beetje rust.‘ Anna gaf haar moeder een zoen. Het was geweldig wat ze voor haar over had.

Drie weken later is het zo ver. Anna neemt afscheid van de familie in Katwijk. Het valt haar zwaar, vooral om de jongens gedag te zeggen.
Mammie is heel gauw weer terug‘, zegt ze terwijl ze hen tegen zich aandrukt. ‘Oma zal heel goed voor jullie zorgen. Lief zijn hoor, Henk. Henk, hoor je me?’
Het ventje knikt, maar hij is met z’n aandacht alweer ergens anders. Irene is nog een dreumes, zij heeft nauwelijks iets in de gaten. Anna geeft haar een paar dikke zoenen, de tranen lopen haar over de wangen.
Ga maar‘, zegt Marie rustig. ‘Het is goed.

Duinen 39
Zonnen aan boord.

Anna neemt aan boord haar intrek in de hut van Willem. Het is een grote hut met mooie teakhouten kasten en tafels. En met een ruime bedstee. Tijdens een vorige reis was er een ernstige kakkerlakkenplaag aan boord.
Ik moest altijd eerst even met de dekens schudden voordat ik naar bed ging‘, vertelt Willem. ‘Dan zag je ze alle kanten uitschieten.
Gelukkig is het schip in de haven grondig chemisch gereinigd. Daarna werden er ook nieuwe levensmiddelen aan boord gebracht. Anna rilt bij de gedachte aan kakkerlakken. Maar ze kan gerust zijn nu, de kakkerlakken zijn verdelgd.

Aan boord maakt ze onder meer kennis met kapitein Thomas Nieuwenvoort en de eerste machinist Sjoerd Kempens. Hij wordt ‘meester’ genoemd. ‘Meester?’ zeggen de bemanningsleden als ze hem iets willen vragen. Anna maakt ook kennis met Jacques Nobels, een scheepsagent van de rederij die deze reis meemaakt om de transportcontracten tussen de rederij en de aanbieder van de lading na te lopen. Nobels krijgt een eigen passagiershut toegewezen.
Katwijk‘, zegt hij, ‘daar ben ik als kind weleens geweest. Een fijne badplaats.
Tijdens de reis zal Anna een aantal uitstapjes met Nobels maken, maar ondanks de vriendschap die zo ontstaat, blijven ze elkaar ‘meneer Nobels’ en ‘mevrouw Duinen’ noemen.

In de Golf van Biscaje komt de Merwede in een storm terecht. Het schip stampt en slingert tegelijk, de ideale omstandigheden om goed zeeziek te worden. Sommige matrozen zien geel en groen. Anna blijft vreemd genoeg op de been. Ze heeft nergens last van.
Dat zal uw Katwijkse achtergrond wel zijn‘, zegt meneer Nobels lachend. Hij is er inmiddels ook aan gewend.
’s Avond in de hut, als de storm weer wat bedaard is, zegt ze tegen Willem met betraande ogen: ‘Ik mis de kinderen zo. Ik denk dat ik maar eens een lange brief aan vader en moeder zal schrijven.’
‘Prima’, zegt Willem. ‘Dan kan die in Bilbao met de post mee.’

In de landen rond de Middellandse Zee doet de Merwede verschillende havens aan. En telkens maakt Anna samen met meneer Nobels uitstapjes. Willem blijft aan boord omdat hij moet werken tijdens het laden en lossen. Anna en meneer Nobels bekijken het Parthenon op de Acropolis in Athene en het paleis van koning Minos op Kreta. Anna maakt foto’s met haar Clack-fototoestel dat ze van ome Cor heeft gekregen. Er zit een mooie, harde leren hoes omheen die precies de vorm van het apparaat heeft.

 

40. Raesdonders en krôotjies

Omdat Marie voor de kinderen zorgt, is er tijdelijk een meisje aangenomen voor de groentewinkel. Ze heet Cobie en spreekt plat Katwijks. Sommige klanten kunnen haar zelfs nauwelijks verstaan. Ze gebruikt uitdrukkingen die later nog eens in een boekje opgenomen zouden kunnen worden. Zo zegt ze tegen een mevrouw in blijde verwachting: ‘Zo, ik zie dat d’r al een kijkertje bove de kar komt.’  Ze wijst op de buik van de vrouw. ‘Ooh‘, zegt de zwangere. ‘Bedoel je dát.

Als Marie vraagt of Cobie al een vrijer heeft, antwoordt ze met een grote omhaal van woorden: ‘Jae, Bram hiette die, maer ut was iet veul euvels. ’t was een echte fiebeldekwink. Wel aerdig hoor, z’n gat ging te kurremis, maer hij kos ârreg vlouke. Nou ken dat ien kaer gebeure, maer as ze je stijf gaen vlouke dan zeg ik: lôop maer deur mit je lootjies. Dus, neen, gien vrijer.’
Ook de groentes gaan op z’n Katteks . Kapucijners noemt ze ‘raesdonders’, bietjes worden ‘krôotjies‘ en zoute snijbonen met witten bonen ‘naekte mâisjes in ut gras‘ of ‘blôte billetjies’.

‘Ik weet niet of ze nou echt wel zo’n aanwinst voor de winkel is’, zegt Hendrik tegen Marie. ‘D’r taalgebruik tegen de klanten is nogal vrijpostig.
‘Ach’, zegt Marie, ‘zolang de klanten niet weglopen is er niks aan de hand. We zijn toch allemaal Katwijkers onder elkaar?’
‘Wij zijn middenstanders’, zegt Hendrik met nadruk. ‘We moeten de standaard hoog houden.‘ Marie haalt haar schouders op. ‘Ga je nou ineens naast je schoenen lopen?
‘Nee, ik…’
‘Nou dan. Zolang ze aardig is tegen de klanten en ze niet afblaft, mag ze gewoon blijven.
Hendrik wil nog wat zeggen, maar slikt zijn woorden in.
‘Goed dan’, zegt hij uiteindelijk.

Cobie blijft en wordt uiteindelijk een goede huisvriendin van de familie. Ze trouwt met Aai, een visser, en gaat in de Kaninefatenstraat wonen. Als iemand van buiten Katwijk een keer tegen haar zegt dat ‘kaninefatenstraat’ een vreemde naam is, antwoordt Cobie: ‘Wèneen, kaeninifaete benne geweun kaeninefaete. Dat weet iederien.
*****

‘Ik heb alleen maar het zevende leerjaar en één jaar huishoudschool gedaan’, zegt Anna zo’n 3.500 kilometer van Katwijk  tegen meneer Nobels.
‘Daarna ben ik winkelmeisje geworden, in de winkel van mijn vader.

Ze staan bij de piramide van Cheops in Gizeh. Het was een tocht van drie uur in een stoffige taxi van de havenplaats Alexandrië naar hier. Anna’s mond valt open van verbazing als ze de piramides ziet. Ze zijn nog imposanter dan dat ze zich had voorgesteld. Ze vertelt dat dit het enige van de zeven klassieke wereldwonderen is dat tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven.

Duinen 40-zw
De piramides van Gizeh.

‘Het was tot in de middeleeuwen het hoogste bouwwerk in de wereld.
Nobels is onder de indruk van Anna’s kennis. Daarom vraagt hij: ‘Gymnasium gedaan?‘ Anna lacht.
Dat ze na het zevende leerjaar en de eenjarige huishoudschool aan de slag ging in de winkel van haar ouders, heeft haar er niet van weerhouden altijd veel te lezen, vertelt ze. Hele boekwerken verslond ze. Daarmee kreeg ze de algemene ontwikkeling die ze nu tentoonspreidt.

‘Al zijn er dingen die ik niet weet, maar die ik wel zou weten als ik bijvoorbeeld op de mulo had gezeten. Goed Engels. Of algebra.’

‘Zullen we dan nu maar op de kamelen?‘ vraagt Nobels. En beiden nemen plaats op het zadel van de liggende kamelen. Anna draagt een wit jurkje, een hoedje en een sjaaltje en houdt een leren handtasje in haar hand.
‘Jammer dat Willem er niet is’, zegt ze.

Daarna gebeurt datgene wat ze later nog vele malen aan de familie zal vertellen: het opstaan van de kameel…

 

41. ‘Volgens mij moet je een beetje naar achteren leunen‘,

… zegt Nobels als de kamelen aanstalten maken om op te staan. Anna leunt naar achteren, maar de kameel gaat eerst op de knieën van zijn voorpoten zitten zodat Anna nog meer naar achteren wordt gegooid.
Oooo‘, roept ze geschrokken. Daarna strekt het beest zijn achterpoten zodat ze nu weer helemaal naar voren wordt gekieperd. Ten slotte trekt de kameel ook zijn voorpoten op zodat hij helemaal rechtop staat. En daarmee komt Anna ook in de juiste positie.
Nobels ondergaat hetzelfde procedé.
Pardon, ik heb me een beetje vergist‘, lacht hij.
Schommelend rijden ze een eindje door de woestijn.

Het is een gebeurtenis waarover Anna later nog vaak zal vertellen.
Een kameel staat op in drie gedeeltes‘, zegt ze dan. ‘Het lijkt wel alsof je gelanceerd wordt.’ Vermoedelijk is Anna de eerste vrouw in Katwijk die in Egypte op een kameel heeft gezeten.

In de tussentijd heeft Willem aan boord gewerkt. En ook bij hem gebeurt er iets bijzonders. Als hij naar buiten loopt en over de reling naar de kade kijkt, ziet hij een groepje Egyptenaren met een bruin hondje aan een touw.
Cigarets!? Cigarets!?’, roept een van hen naar boven. Willem schudt het hoofd. Hij gaat hier geen sigaretten uit de bondstore verkopen. Bovendien zijn ze de sigaretten bestemd voor de bemanning en niet voor vreemde passanten. Maar de man beneden op de kade geeft niet snel op. Hij wijst op de hond.
We give you the dog, you give us cigarets’, zegt de man.
Willem denkt na.

Als Anna en meneer Nobels die avond uit Gizeh terugkeren, merken ze meteen dat er een hond aan boord is. Anna aait het beest.
Wat een grappig hondje’, zegt ze.
Die heb ik gekregen‘, zegt Willem. ‘Geruild tegen een paar pakjes sigaretten. Dus nou hebben we een scheepshond.’
Hoe bestaat het!‘, roept meneer Nobels uit.
Maar die hond kan toch niet blijven?‘ zegt Anna.
Nee, we nemen het gewoon mee naar Katwijk‘, zegt Willem. ‘De kinderen zullen het leuk vinden.
Anna lacht als een boerin met kiespijn. ‘Daar moet ik nog wel even over nadenken hoor, Willem.’

 

****

Intussen gaan in Nederland de jongens Bart en Henk nu naar bed. In Egypte is het al enkele uren later, in Nederland is het pas tien voor half acht. Irene, die nog maar een dreumes is, ligt al lang op een oor. Marie heeft haar eerder laten eten en onder de wol gestopt. Eerder vandaag heeft ze met Irene in de kinderwagen boodschappen gedaan. Zo is ze naar bakkerij Korndörffer geweest. Eerst via de Badstraat en dan de Freek van Rhoonstraat.

Zo Marie, hè je de kinderen op visite?‘ vroeg de bakkersvrouw.
Acht weken lang‘, antwoordde Marie. ‘Anna is met Willem mee op een reis naar de Middellandse Zee.
Zo zo, nou dan is het een geluk dat ze jou nog hebben.
Toen Marie met de kinderwagen weer buiten stond, zei ze tegen zichzelf: ‘Zo, nu nog even naar De Gruyter.

Nu leest ze de jongens voor uit ‘Van drie domme zusjes’ van W.G. van der Hulst. Ze luisteren met rode konen. Als het hoofdstuk uit is, zegt Marie: ‘Nog twee weken, dan komen pappie en mammie weer thuis. Hoe vinden jullie dat?’
‘Hoe lang duurt twee weken?‘ vraagt Henk.
Tien dagen‘, zegt Bart. Marie lacht.
Nee, het is veertien dagen‘, zegt ze. ‘Dat lijkt nog heel lang, maar het is vast snel voorbij. Maar voorlopig hebben jullie die mooie prentbriefkaart gekregen van pappie en mammie.‘ Ze wijst op de kaart met de zwartwit foto van een kameel.

Buiten slaat de klok van de Nieuwe Kerk half acht.

 

42. In 1958 zijn Hendrik en
Marie Boomakkers 40 jaar getrouwd.

Ze vieren dat met een receptie in Zaal Haasnoot aan de Dwarsstraat. Tussen 17:30 uur en 20:30 uur kan iedereen het bruidspaar feliciteren. De hele familie is deftig aangekleed. De tweeling draagt een keurig overhemd met een stropdasje en een tweedjasje. Henk heeft de kleding nog geen kwartier aan of hij heeft alweer een gat in zijn broek. Anna zucht en geeft hem een standje.

Zaal Haasnoot wordt vaker voor dit soort zaken gebruikt. Het is een vrij kleine ruimte die niet alleen wordt gebruikt voor feesten maar ook voor veilingen en openbare verkopingen van onroerend goed. Of voor voorlichtingsavonden. Zo is er af en toe een voorlichtingsavond van de Christelijke Emigratie Centrale met als onderwerp Levensontwikkeling en emigratie. Anna’s broer Karel heeft zo’n avond eens bijgewoond. Hij speelde een poosje met het idee om te emigreren, maar durfde steeds de stap niet te zetten.

Op de receptie komen talloze mensen het bruidspaar feliciteren. Hendrik en Marie zijn door de groentewinkel bekende gezichten in het zeedorp. Daarom zijn er niet alleen familieleden en bekenden maar ook veel klanten. Zoals mevrouw Hillegonda van Klaveren, een oud-schooljuffrouw, nogal streng in de leer. Hillegonda van Klaveren is zo’n beetje het geweten van Katwijk en wijde omstreken. Nadat ze Hendrik en Marie heeft gefeliciteerd gaat ze met een glaasje ‘sieter‘ in de hand naast Anna zitten.

Moet je nou eens luisteren, Anna‘,  zegt ze. ‘Weet je wat ik laatste ontdekte? De leden van de gymnastiekvereniging zijn gewoon samen aan het gymen geweest met gereformeerde meisjes. Dat kan toch niet?
Waarom kan dat niet?’ vraagt Anna.
‘Die anderen meisjes zijn hervormd. Dan krijg je vermenging. En dat moeten we natuurlijk voorkomen.’
Kom kom’, zegt Anna. ‘Zo erg is dat toch niet? Gereformeerden zijn toch geen onmensen?’
‘Dat niet meteen, maar je kan het maar beter gescheiden houden. Wie weet wat er van komt. En ik zeg altijd maar: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’
Maar’, zegt Anna, ‘naar mijn weten is Hercules geen hervormde gymnastiekvereniging.’
‘Oh…’ zegt mevrouw Van Klaveren verbaasd, ‘dan wordt het hoog tijd dat het dat wél wordt.’

Van Klaveren voert ook beleid tegen de NOVA, het theatertje op de hoek van de Jan Tooropstraat en de E.A. Borgerstraat. Daar gebeuren dingen die niet door de beugel kunnen, meent ze. Er zijn muziekuitvoeringen met toneelspel en er worden films vertoond. ‘Nou, dan weet je al genoeg.’
Millie en ik zijn er twee jaar geleden nog naar Quo Vadis wezen kijken’, zegt Anna. ‘En dat was een schitterende film. In de Nova waren voor de oorlog al films te zien.’
Hillegonda van Klaveren zegt niets meer. Ze kijkt Anna alleen maar aan. Je ziet haar denken: Anna is niet meer te redden.

Anna kijkt rond naar de kinderen, maar Bart en Henk zijn in geen velden of wegen te bekennen.
Ze speulde d’r net nog hier‘, zegt Cobie, die ook te gast is op de receptie. Anna staat op loopt door het zaaltje. Haar hart bonst in de keel. Er is een vreemd gevoel in haar binnenste, een instinctief gevoel dat er iets niet goed is.

Plotseling rumoer buiten, mensen drommen samen bij de deur. Anna spoedt zich er naartoe. Iemand roept: ‘Een aanrijding! Een kind!!’
Henk! gaat het door Anna heen. Ze rent naar buiten. Midden op de Dwarsstraat staat een auto stil, ervoor ligt een kind op straat. de chauffeuse is in paniek. ‘Hij stak ineens over!’ roept ze. ‘Hij stak ineens over…, hij stak ineens over…!’ Ze lijkt in shock.
Henk!’ gilt Anna. Ze vliegt op het kind af. Dan ziet ze het: het is niet Henk die daar ligt. Het is Bart. Overal bloed, het jongetje beweegt niet…

Rustig blijven!‘ zegt iemand. ‘Bel de ziekenauto’, roept een ander…

 

43. ‘Alleen de ouders‘,

zegt de verpleegster gehaast als de brancard de eerst-hulppost van het Academisch Ziekenhuis binnengereden wordt. Maar wanneer artsen, verpleegsters en anderen zich op Bart werpen, worden ook Willem en Anna plotseling tegengehouden.

U moet hier wachten‘, zegt de zuster. Inmiddels komt er een arts op hen aflopen. Hij steekt zijn hand uit. ‘Verhoef. Wat is er precies gebeurd?
Hij stak plotseling over, vlak voor een auto’, zegt Anna met betraande ogen.
Heeft u het ook gezien?’
‘Nee, wij hebben het niet gezien. We waren op een receptie van mijn ouders. Het is altijd zo’n rustige jongen. Heel anders dan zijn broer, van wie je zoiets verwacht. Dokter, hoe erg is het?’

 

Duinen 43-AZL
Academisch Ziekehuis Leiden (AZL).

Verhoef kijkt ernstig. ‘We kunnen er nu helaas nog niets over zeggen. Hij leeft. Maar hoe erg het is, weten we straks. U moet echt even wachten in de wachtkamer. Ik hoop over een uurtje meer te weten.
Het ‘uurtje’ waar de arts het over heeft lijkt wel een halve dag. Anna kijkt Willem ongerust aan. Hij kust haar op het voorhoofd. ‘We kunnen alleen maar bidden dat het goed komt‘, zegt hij.

Anna denkt terug aan dat ene moment. Ze ziet alles weer voor zich. Hoe ze bij Bart neerknielde. Hij was bewusteloos, er was overal bloed, ook uit zijn neus. Zijn been lag in een vreemde houding. ‘Niet aankomen‘, riep iemand. De vrouw van de auto, die maar bleef roepen ‘hij stak ineens over!’. Het geluid van de ziekenauto, de drommen mensen om hen heen. De hand van haar moeder op haar hoofd. De vreemde kalmte die ze plots aan de dag legde. De liefdevolle aanraking van Willem, geruststellend. De snelle rit naar het ziekenhuis. Hoe vreemd het was om iedereen buiten gewoon hun dingen te zien doen, die ze normaal ook deden: fietsen, praten, heggen snoeien, lachen, op hun horloge kijken. En dat allemaal terwijl haar kind hier, in deze ziekenauto misschien wel lag dood te gaan.

In Katwijk zijn de feestelijkheden voor het 40-jarig huwelijk van Hendrik en Marie Boomakkers gestaakt. Er werd nog lang nagepraat, maar uiteindelijk is iedereen naar huis gegaan. Henk en Irene blijven bij hun opa en oma, Cobie helpt mee.
Ik wou dat ze maar eens belden‘, zegt Marie. Ze kijkt voortdurend naar het zwarte bakelieten telefoontoestel aan de muur in de gang. Ze heeft haar feestjurk nog aan. ‘Wat een feestdag‘, zegt ze met ironie in haar stem. ‘Ooh Hendrik, ik weet me geen raad als dat kind…

Hendrik zegt eerst niks. Hij heeft de handen tegen elkaar en duwt zijn neus ertussen, zijn duim onder zijn kin.
D’r zijn tegenwoordig een hoop gevaren’, zegt hij dan somber. ‘En het verkeer is er een van. Dat mens reed minstens 60 kilometer per uur.’
Weet je dat zeker?’
‘Dat moet toch wel Marie? Je hebt dat kind toch gezien? Dat was geen klein tikje.’
Nu wordt het Marie te veel. ‘Hou op!‘ roept ze. ‘Hou op!

Er wordt aan de deur gebeld, Millie van Egmond staat voor de deur. ‘Weten jullie al wat?‘ vraagt ze. Marie schudt het hoofd. Even later komen ook Fientje met haar man en Gerrit Zuijderduijn. Iedereen leeft mee met de familie.
Ik heb de neiging zelf het ziekenhuis te gaan bellen‘, zegt Hendrik. ‘Het duurt nou wel erg lang.
Maar hij is nog uitgesproken of het telefoontoestel in de gang rinkelt.

 

44. Marie neemt de telefoon op.

Ja?‘ vraagt ze met onvaste stem. Aan de telefoon is Anna. Zij en Willem hebben al enkele uren in het ziekenhuis doorgebracht.
Hallo moeder’, zegt Anna. ‘Hij is buiten levensgevaar.’
Buiten levensgevaar, is ook het enige positieve dat ze nu kan melden. Toen dokter Verhoef zojuist de wachtkamer kwam binnenlopen, meende Anna toch nog wel bezorgdheid aan zijn gezicht te kunnen aflezen. Ze had het gevoel alsof haar hart stil stond, ze kneep Willem in zijn arm.

‘Uw kind is buiten levensgevaar’, zei Verhoef meteen. Anna sloeg een zucht van opluchting.
Maar‘, ging de arts verder, ‘er is wel een schedelbreuk en een schedelbasisfractuur. Hij is wel al min of meer even bij geweest, maar we houden hem een beetje slapend. Verder is zijn rechterbeen op twee plaatsen gebroken, heeft hij een scheurtje in het bekken en zijn er wat inwendige bloedingen. Hij moet een flinke klap hebben gemaakt.’
‘Dat heeft-ie ook‘, zei Willem met tranen in zijn ogen. ‘Dokter, komt hij er weer bovenop?’
‘Daar heb ik goede hoop op.’
Willem en Anna omhelsden elkaar. En nu Anna haar moeder belt gaat er een zucht van opluchting door de Katwijkse Voorstraat.

Bart Duinen blijft nog enkele weken in het ziekenhuis. De eerste dagen zijn nog wat kritiek, maar al gauw knapt hij op. Kinderen genezen nu eenmaal sneller, zegt de dokter. Na drie weken mag hij naar huis. Henk is door het dolle heen als hij zijn broertje weer ziet. Irene loopt kraaiend van plezier op haar grote broer af. Hij wijst op het gips om zijn been.

Inmiddels is er ook meer bekend over de toedracht van het ongeluk. De dame in de auto had de juiste snelheid, stelt de politie vast op grond van getuigenverklaringen. Eerst stak Henk over en hij verdween in de Baljuwstraat in de richting van de smid. Direct op de voeten gezeten door Bart, die zonder te kijken ook zomaar de weg oprende. De automobiliste zag het pas op het allerlaatste moment. Ze remde maar had nog veel te veel snelheid zodat ze het kind tegelijkertijd keihard raakte. Daardoor kreeg Bart een enorm klap, rolde een stukje over de motorkap en viel voor de tot stilstand gekomen auto weer op straat. Hij was vrijwel meteen bewusteloos. Behalve de botbreuken, waren er ook bloedingen van de lever en de milt. Op een röntgenfoto zagen de artsen het bloed in de buikholte.

Als Bart een paar dagen thuis, brengt de automobiliste een bezoek. Ze komt uit Noordwijk en was op de bewuste dag op visite geweest bij een tante op de Zuidstraat. Voor de kinderen neemt ze chocolade mee en voor Anna een bos bloemen.
‘Ik vind het zo erg wat er gebeurd is’, zegt ze. ‘Ik was helemaal van slag en durfde niet meer te rijden. Tot mijn man zei dat ik het toch weer moest gaan doen. Anders zou ik nooit meer durven, zei hij.’
‘Ik denk dat hij daar gelijk in heeft’
, zegt Anna.’Nou ja, gelukkig is het allemaal goed afgelopen. Maar we hebben wel een paar benauwde uren gehad.’

Willem knikt de vrouw vriendelijk toe. Vrouw aan het stuur, bloed aan de muur, wil hij eerst zeggen, maar hij houdt wijselijk zijn mond.
Als de vrouw vertrokken is, loopt Anna op hem af en kust hem.
Je hebt je netjes ingehouden, Duinen’, zegt ze.
Hij lacht.

 

45. De jaren zestig breken aan, ook in Katwijk.

In 1959 is Anna voor de laatste keer bevallen. Het is een zoon en hij wordt vernoemd naar ome Cor. De oude man is apetrots en maakt talloze foto’s van de baby. Als de jaren zestig aanbreken, hebben Willem en Anna hun ‘kwartet‘ compleet: tweeling Henk en Bart, dochter Irene en kleine Cor.

Daarnaast brengen de jaren zestig ook andere zaken in huize Duinen. Zo komt er een Miele wasmachine met een glazen deur waar doorheen je de was miraculeus kunt zien draaien, zonder dat het water eruit stroomt. Verder wordt er een echte badkamer gemaakt door loodgietersbedrijf firma Burgerhout.
Nooit meer in de teil!‘ zegt Willem met een beetje weemoed in zijn stem. De mannen van Burgerhout zijn anderhalve week bezig in het huis, maar dan is de badkamer ook echt klaar. Het is een mooie ruimte met gele tegels, een schitterende wastafel en een doucheruimte.

Elke vrijdag gaan Willem, Anna en de kinderen onder de douche. Dan krijgt iedereen schoon ondergoed en worden alle haren gewassen. Ook heeft het gezin inmiddels een stofzuiger, een koelkast met vriesvakje, een broodrooster met klepjes aan weerszijden zodat je twee boterhammen tegelijk kunt roosteren, een pickup-radio, een vierpits gasfornuis en een Krups handmixer.

De kolenkachel met de mica ruitjes ten slotte wordt omgevormd tot petroleumkachel; buiten op het balkon staat de petroleumtank. Ook gaat de familie steeds meer exotische gerechten eten, zoals macaroni met stukjes Smac, Brussels lof, schnitzel, cordon bleu, en recepten met paprika.

In 1961, stoppen Hendrik en Marie Boomakkers met de groentewinkel. Hendrik is 69 jaar en vindt het welletjes. Hij gaat ‘trekken van Drees’. Ze blijven wel achter de winkel wonen en de vrijgekomen ruimte wordt verhuurd aan de joodse manufacturenhandelaar Josef Teicher, die dagelijks heen en weer pendelt tussen Den Haag, waar hij woont, en Katwijk. Wat eens een groentewinkel was, wordt nu “Het Kleine Modehuis“, een zogeheten zaak in bonneterie: kousen, sokken, mutsen, handschoenen. Op zaterdag en zondag is de winkel gesloten: het is ‘dubbel sabbath’ in de winkel aan de Voorstraat.

In 1963 is het zo koud dat de branding door ijs is bedekt en de zee er als een ijsveld bij ligt. Het hele gezin Duinen gaat dat natuurverschijnsel met eigen ogen bekijken. Een onwerkelijke stilte, de eeuwenoude stem van de zee is bevroren. De kinderen springen op de ijsschotsen alsof ze op de Noordpool zijn, maar ze zijn gewoon in winters Katwijk.

In hetzelfde jaar gaan Bart en Henk allebei voetballen. Bart is alweer helemaal hersteld van het auto-ongeluk, al heeft hij nog wel sneller hoofdpijn dan zijn broertje. Maar verder is hij zo gezond als een vis. Hij sluit zich aan bij zijn favoriet club Quick Boys. Henk daarentegen wil per se gaan voetballen bij V.V. Katwijk. ‘Katwijk is veel beter‘, zegt hij. In huize Duinen levert het veel stof voor discussie.

Quick Boys is landskampioen zaterdagvoetbal!‘ roept Bart. ‘Die is de beste.’
En bij Katwijk heeft het tweede elftal vorig jaar het clubkampioenschap gewonnen‘, zegt Henk.
Nou! Dat mag in de krant‘, zegt Bart minachtend. Hij heeft het nog niet gezegd of Henk heeft hem al een stomp voor zijn kanus verkocht.
‘Au!‘, gilt Bart. ‘Mam, hij zit me te stompen.‘ Zuchtend maakt Anna een einde aan de ruzie. Irene en Cor zitten met grote ogen naar hun twee grote broers te kijken.

Soms moeten Henk en Bram tegen elkaar spelen. Ze spelen op het veld aan de Zeeweg waar enkele jaren later het zwembad zal verrijzen.

Als de scheidsrechter keihard ‘Duinen!‘ roept, staan ze beiden stil. De bal vliegt voorbij. “Dikke Jan” uit het team van Henk scoort. Maar het doelpunt wordt afgekeurd. ‘Ik had al gefloten, hoor‘, zegt de scheids.

 

46. Soms is ook ome Cor langs de lijn
te vinden met zijn fotocamera.

Hij is gebracht door Karel en heeft een speciaal krukje gekregen om te zitten. Ome Cor is al op hoge leeftijd maar nog steeds erg kras.
Leg die schoen er nou een fatsoenlijk onder‘, roept hij. In het trapgat van hun huis hangen de actiefoto’s van de voetballers. Niemand in Katwijk heeft zulke actiefoto’s aan de muur. Vriendjes van Bart en Henk komen speciaal naar de foto’s kijken. Eerst de spelertjes van V.V. Katwijk, daarna de spelertjes van Quick Boys.

Op een zaterdag, als ome Cor weer eens is langsgeweest met zijn camera, en hij thuis is gebracht door Karel, voelt hij zich niet lekker. ‘Ik weet iet wat ik heb‘, zegt hij. ‘Meskien kou evat.’ Hij legt de camera op het ronde rooktafeltje en gaat naar zijn kamer. Daar kleedt hij zich uit en gaat in bed liggen. Hij komt er niet uit voor het avondeten.
Kan best hoor, dat-ie kou heeft gevat bij Quick Boys, want er stond een frisse wind‘, zegt Hendrik Boomakkers terwijl hij zijn boterham besmeert met boter. Na het eten gaat Anna met een kop thee naar de kamer van haar broer.
Cor, je moet wat drinken hoor‘, zegt ze. ‘Ik heb hier thee.
De oude man antwoordt niet.

In de keuken ruimt Hendrik de spullen op. De kaas en de boter legt hij in de koelkast. Waar blijft Marie nou? Als alles is opgeruimd, gaat Hendrik ook naar de kamer van Cor. Daar treft hij Marie, zittend op de rand van het bed. Ze heeft Cors hand in de hare. Ze kijkt om naar haar man in de deuropening. Tranen in haar ogen. Hendrik weet wat er is. Maar hij durft niet te spreken.

Willem is momenteel niet thuis. Hij is tien maanden weg, naar Midden-Amerika. Hij vaart tegenwoordig bij de Shell als kapitein op een tanker. Het schip doet onder meer Nicaragua en Venezuela aan. In de haven ontvangt hij een brief van Anna. Daarin schrijft ze dat ome Cor op 16 oktober 1961 is gestorven, op de leeftijd van 86 jaar. Gewoon in bed, in het huis van zijn zuster en zwager aan de Voorstraat.
Doordat hij bij Hendrik en Marie Boomakkers woonde, hoefde hij niet naar het Gasthuis. ‘Als ik naar het Gasthuis mot, dan ken je me beter gelijk wegbrengen‘, zei hij altijd. Hendrik en Marie hebben hun woord gehouden. Zolang het allemaal nog ging, mocht ome Cor gewoon bij hen blijven wonen. Anna heeft haar oom haar hele leven vrijwel dagelijks gezien. Zijn dood is dan ook een grote klap voor haar.

 

Pas na de begrafenis vinden ze een brief in de bovenste lade van zijn kastje waarin staat dat zijn Leica III voor Anna is. De laatste filmrol bevat niet alleen de foto’s van de wedstrijd bij Quick Boys, maar vreemd genoeg ook enkele foto’s van de grote brand in molen De Geregtigheid op 12 oktober. Iedereen vraagt zich af hoe de oude man het in zijn eentje heeft klaargespeeld om helemaal naar Katwijk Binnen te gaan om de brand te fotograferen…?

 

47. Maar al gauw komt de aap uit de mouw.

Henkje heeft de foto’s gemaakt. Stiekem. Met de camera om zijn nek is hij op de fiets van zijn vader naar Katwijk-Binnen gefietst, zodra hij van de brand hoorde. Dat was overigens niet moeilijk want de brandweerauto’s vertrokken met loeiende sirenes vanuit hun garage aan de Schoolstraat recht tegenover rokerij Schaap oftewel ‘De Krul’. Twee motorspuiten, een materiaalwagen en een ladderwagen gingen erop af.‘Ik wilde de foto’s maken voor ome Cor’, zegt hij. En die laatste bekentenis pleit in zijn voordeel. ‘Voor deze keer zien we het door de vingers‘, zegt Anna. ‘Maar voortaan blijf je er van af, hoor je dat?

Elke zaterdag stuurt Anna een van haar jongens naar De Krul om twee gerookte ‘makrielen‘ te halen. Vaak gaan de jongen samen. Ze vinden het er lekker ruiken, daar in die bokkumhank waar door het zaagsel heen de rook onophoudelijk omhoog dwarrelt. Henk en Bart weten al niet beter of hun moeder zegt op zaterdag om vijf uur dat ze weer twee makrelen mogen halen. Des te groter is de verrassing als ze op een zaterdag opeens iets anders zeg. ‘Jongens, gaan jullie eens om patat bij Prins.‘ De jongens veren op. Patat!? De jongens zijn er gek op en ze zijn dan ook door het dolle heen.

En wel bij Prins hè?’ zegt ze. ‘Vier zakjes patat met mayonaise.‘ Bart en Henk zijn al weg. Maar als ze bij boekhandel Pauw tussen de pastorie en het postkantoor zijn, realiseren ze zich opeens dat ze geen geld bij zich hebben. Henk rent terug.
Hier heb je een knaak’, zegt Anna. ‘En denk erom, je krijgt nog geld terug. Vier zakjes met mayonaise is vier keer 35 cent. Dat is 1 gulden 40. Dan krijg je 90 cent terug. Hoor je dat Henk?’ Henk knikt, en weg is-ie alweer.

Aan Willem schrijft Anna:
Sinds kort eten we op zaterdag vaak patat van Prins. De kinderen zijn er dol op. Je moet de groeten van vader en moeder hebben. Het gaat best sinds ze de winkel niet meer hebben. Vader heeft nu meer tijd voor andere dingen. Hij speelt nog steeds trombone bij de UNI. Laatst zei de dirigent: nu gaan we ‘Stars and Stripes forever’ spelen. Toen zei vader: Forever? Man, dat houd ik nooit vol! Je kent hem. Moeder past veel op de kinderen, dus dat is fijn. Dan heb ik ook wat tijd voor mezelf. Verder komen mijn vriendinnen elke week op donderdagavond. Dan wordt het soms een latertje. Vorige week was het twee uur ’s nachts. De volgende ochtend om half acht weer op, dat viel niet mee.

Nou, ik ga maar weer eens eindigen. Schrijf gauw terug, lieverd.
Veel hartstochtelijke kussen, je innig liefhebbende Anna.’

Willem legt de brief neer en staart voor zich uit. Het zeemansleven is een mooi leven, maar dat hij zijn vrouw en kinderen soms tien maanden niet ziet, vindt hij toch wel heel zwaar. Zou hij niet eens overwegen om een baan aan de wal te zoeken?
Anderen hebben dat ook gedaan. Een vriend van hem bij de Holland Amerika Lijn is in het loodswezen gegaan en werkt in Rotterdam. Die zit nu bijna elke dag lekker thuis. Soms heeft hij avond- en nachtdienst, maar daarna keert hij toch telkens weer terug naar zijn vrouw en kinderen. Moet Willem niet ook eens overwegen om bij het loodswezen te gaan?

 

48. Op een mooie voorjaarsdag
neemt Anna zich iets voor:

ze wil autorijles gaan nemen. Ze heeft het al met Willem besproken en hij heeft zijn goedkeuring gegeven. Maar ook zonder zijn goedkeuring zou ze haar plan hebben doorgezet. Ze vertelt het ook aan haar moeder. Dat doet ze nadat ze eerst hebben gewinkeld in het dorp.
Ze beginnen met een kijkje bij Potters meubelhandel op de Princestraat. Daarna kopen ze een bosje bloemen bij bloemenmagazijn J. Paauw in het Waaigat en vervolgens nieuw ondergoed bij De Wolbaal. Daarna lopen ze nog helemaal naar slijterij De Korenaar aan de Zeeweg om jenever brandewijn en advocaat te kopen. Als ze weer naar huis lopen, vertelt Anna haar moeder dat ze heeft besloten om haar rijbewijs gaan te halen.

Haar moeder reageert zoals Anna verwachtte.
Wat een goed idee’, zegt Marie enthousiast. ‘Dat had ik nou ook graag willen doen, maar nu ben ik er te oud voor.

Anna voegt de daad bij het woord en neemt rijlessen bij de Bad-Tax, waar veel Katwijkers hun rijbewijs halen. Nadat ze geslaagd is, koopt ze een Opel Kadett bij de autodealer. Daarmee rijdt ze veel rond, vooral voor familieleden en vrienden, die Anna als een soort privé-taxibedrijf gaan beschouwen. Maar als Willem thuis is, zit hij naast haar. Willem heeft geen rijbewijs. ‘Ik ben de stuurman op schepen, maar jij bent de stuurvrouw in de auto‘, zegt hij lachend.

Anna is een prima chauffeuse, maar dat kun je niet altijd zeggen van de andere weggebruikers. Op een dag in maart rijdt ze door de Tramstraat, waar ze op het smalste punt wordt aangereden door een dikke Mercedes. Het gebeurt vlak voor de sigarenhandel van mevrouw Pille, op de hoek van het Noordeinde. ‘Het is gewoon geen doen om daar te rijden‘, zegt Anna later tegen de politie, die vijf minuten later arriveert.
Ach mevrouw‘, zegt de agent op zijn beurt, ‘het is gewoon een kwestie van opletten.‘ De eigenaar van de Mercedes steekt een sigaar op. ‘Ik zag dat rare Opel Kadettje helemaal niet aankomen‘, zegt hij. ‘Bovendien zat mevrouw helemaal op de linker weghelft.’

Je zal jezelf bedoelen!’ zegt Anna, ‘je reed helemaal aan de verkeerde kant.‘ En zo gaat het nog een poosje door. Ze komen er op het eerste oog niet echt uit. Maar uiteindelijk concludeert de agent dat de Mercedes toch te hard heeft gereden, zodat de man met de sigaar de schuld krijgt.

Een paar weken later heeft ze een bijna-aanrijding met de befaamde aarbeienkar van Jan de Reus. De Reus laat van schrik de gewichtjes van zijn weegschaal op zijn voet vallen.
Wil je uitkijken!‘, roept hij, ‘ik sta hier met handel. Straks heb ik alleen nog maar aardbeiensaus in plaats van aardbeien.
Sorry Jan‘, zegt Anna. ‘Ik had haast.’
Jan de Reus duwt zijn pet naar achteren en krabt op zijn voorhoofd. ‘Je weet wat ze zeggen over haastige spoed?’ zegt hij.

Als Anna thuiskomt en haar autosleutels in het mandje naast de voordeur legt, hoort ze dat de kinderen via het achterhuis alweer thuis komen van school. Ze zal gauw thee gaan zetten. Maar als ze in de richting van de keuken wil lopen, gaat opeens de bel. Anna is nog nauwelijks bekomen van de schrik en staat als aan de grond genageld. Zou er politie aan de deur staan? Maar als ze de voordeur opent ziet ze een onbekend meisje van een jaar of 17 voor de deur staan. Het meisje glimlacht nerveus en wrijft over haar haren.

‘Bent u Anna Duinen?’ vraagt ze. Anna knikt aarzelend…

 

49. ‘Ik ben Ria van Katwijk’,

zegt het meisje. Anna aarzelt. Ria van Katwijk? Ze kent de naam vaag maar kan hem niet zo snel plaatsen. Even denkt ze dat het de dochter is van een oude bekende die ooit uit Katwijk is vertrokken. Ze is naar Groningen verhuisd en heeft nu misschien haar dochter gestuurd om gedag te zeggen.
‘U hebt mij gevonden…’, zegt het meisje verduidelijkend.
Anna wankelt. Ze moet zich letterlijk aan de deurpost vasthouden. Gevonden? Is dit de vondeling!? Haar vondeling? Van meer dan 17 jaar geleden?

‘Kind!’ is het enige wat ze kan uitbrengen. En dan omhelst ze het meisje. Het vreemde meisje dat eigenlijk helemaal niet zo vreemd voor haar is. Opeens ziet ze allemaal weer voor zich, die gebeurtenis vlak voor kerst 1951.
‘Kind, kind, wat ben je groot geworden.’

Even later zit Ria in de huiskamer aan de Exota. Anna heeft inmiddels haar ouders erbij gehaald, die ook vol ongeloof kennis maken met de vondeling van weleer, het ‘kerstkind’.
Ria van Katwijk vertelt hoe ze is opgegroeid in een pleeggezin, met een broertje en een zusje. In Ameide in de Alblasserwaard, een dorpje aan de Lek. Haar ouders zijn altijd erg open geweest over het feit dat ze een vondeling was.
‘Mijn moeder zei al heel vroeg dat ik in Katwijk aan Zee gevonden ben, door een heel aardige mevrouw. Dankzij die mevrouw ben je hier, zei ze altijd. Vandaar dat ik er steeds meer naar verlangde die vrouw te ontmoeten. U dus.’

Anna glimlacht. ‘Maar hoe ben je erachter gekomen dat ik dat was?’ vraagt ze. ‘Er zijn toch nooit namen doorgegeven?’
‘Er is meer bekend dan u denkt’, zegt Ria. ‘Ik ben gewoon naar de Raad voor de Kinderbescherming gegaan. En daar was een aardige man die me verder hielp. Hij zei wel dat-ie dat eigenlijk niet mocht doen, maar hij kon het me niet weigeren, zei-ie ook.’

Ook de kinderen Duinen maken kennis met de vondeling van weleer. Daarna bezoeken ze de plek bij het Prins Hendrikkanaal waar Anna het kind in een doosje. Ria kijkt weemoedig naar de plek, alsof ze het zich allemaal nog kan herinneren.
Dan trekt Anna de stoute schoenen aan en vraagt: ‘Ben je er nooit achter gekomen wie je echte ouders zijn?’ Ria knikt. ‘O jawel, ik ben ook naar ze toe gegaan. Naar mijn moeder, bedoel ik. Ze woonde in Utrecht, ergens achter de Domtoren. Een arme, zielige vrouw die niet meer voor haar kinderen kon zorgen. Mijn vader had haar verlaten. Ik heb het haar vergeven, dat wel. Ik kon het wel begrijpen. Ik bedoel, in die omstandigheden. Ze was arm en onbeholpen.’

Anna luistert met belangstelling naar wat het meisje allemaal vertelt. Ze verbaast zich over zoveel wijsheid op jonge leeftijd. ‘Ik wil sociaal werk gaan studeren’, zegt Ria. ‘En dan wil ik ook met vondelingen en wezen gaan werken. Dat trekt me heel erg aan.’

‘Het is wel een bijdehandje hoor’, zegt moeder Marie als ze weer is vertrokken nadat ze de belofte heeft gedaan de Duinens nog een keer te bezoeken wanneer Willem thuis is van zee.
‘Zeker’, zegt Anna. ‘Ik had nooit verwacht dat ik haar nog terug zou zien. Want zeg nou zelf, wie had nou verwacht dat zo’n kind op zo’n jonge leeftijd al op zoek gaat naar de vrouw die haar gevonden heeft?’

 

50. ‘Ben jij een zoon van Willem Duinen?‘,

vraagt de onderwijzer van de Christelijke Opleidingsschool op de Parklaan aan kleine Cor Duinen, de jongste van het gezin. Hij heeft zojuist zijn jasje met capuchon uitgetrokken en schuift naast zijn vriendje Mark in het houten bankje. Begin van het schooljaar. Hij kijkt omhoog naar die onderwijzer met zijn baardje en zijn stekelhaar, en knikt dan.
Je vader ken ik nog uit het weeshuis‘, zegt de onderwijzer. ‘Doe hem maar de groeten. Van Mart van der Plas, zeg maar. De broer van Nelie. Dan weet-ie het wel.
Mijn vader zit nou op zee’, zegt Cor. ‘Hij komt over twee maanden thuis.
Meneer Van der Plas knikt begrijpend. ‘Dan doe je hem maar de groeten als hij weer thuis is. Zul je dat doen?‘ Cor knikt.Duinen 50 - klaslokaal-zw

Cor Duinen zit alweer in de vierde klas en leert steeds beter lezen en cijferen. Maar ook aardrijkskunde en geschiedenis. Schrijven wordt nog gedaan met een kroontjespen. Als Cor zijn best heeft gedaan mag hij speciaal met rode inkt in plaats van blauwe schrijven. De inkt zit in een glazen potje in het midden van de bank; er zit een schuifje op het potje. Binnenkort zullen de banken plaatsmaken voor gloednieuwe schoolbankjes met een kunststof blad. Vanaf dat moment gaan de kinderen met een balpen schrijven. Dan hoeven ze hun kroontjespen nooit meer in de inkt te dopen, en hebben ze hun inktlapjes ook niet meer nodig.

Er wordt veel gezongen op school, liedjes als Cowboy Billy Boem en Daar was laatst een meisje loos. En op Koninginnedag gaan de kinderen naar het gemeentehuis om er in de voortuin samen met andere scholen een aubade te brengen, waar burgmeester Vermeulen en zijn vrouw namens koningin Juliana naar luisteren. Als Cor jarig is moet hij op het bankje voor de klas en wordt hij toegezongen. Hij trakteert op spekkies en voor de meesters en de juffen op kano’s. Eén keer per jaar is er film. Dan stopt de hele klas met werken. ‘Pennen neer’, zegt de meester. ‘We gaan rustig naar boven.’ En de hele groep beweegt zich gedisciplineerd naar het filmzaaltje op de bovenste etage van de Christelijke Opleidingsschool. De Beatles brengen Abbey Road uit, Piet de Jong is minister-president van Nederland en tennisser Tom Okker wordt derde op de wereldranglijst.

Cor is het verzoek van meester Van der Plas niet vergeten. Als zijn vader twee maanden later weer thuiskomt, doet hij hem tijdens het avondeten alsnog de groeten.
Hij zei: zeg maar de groeten van de broer van Nelie, dan weet hij het wel.
Willem stopt met kauwen en kijkt hem een moment indringend aan.
Dank je‘, zegt hij dan, ‘Doe hem de groeten terug.’

‘Wie is Nelie?‘ vraagt Irene.
Vraag toch niet zo veel‘, zegt Anna.
Nee, het geeft niet’, zegt Willem. Hij legt zijn mes en vork neer. ‘Nelie was een meisje in het weeshuis waar ik erg op gesteld was. Ze is jong gestorven aan tuberculose, dat is een heel ernstige longziekte.

Irene laat het even tot zich doordringen.
Was je verliefd op haar?’
‘Nou, Irene!‘ zegt Anna. ‘Zoiets vraag je toch niet aan je vader?
Ze zwijgen.

’s Avonds in bed stelt Anna de vraag van haar dochter opnieuw.
Was je verliefd op haar, Willem?
Hij knikt. ‘Ik denk het wel. Maar het is allemaal zo lang geleden. Ik weet het niet meer, ik was nog zo jong. Het waren andere gevoelens, meer een soort kalverliefde.
Hij draait zijn hoofd naar haar toe: ‘En jij? Was jij verliefd op Jan Oldenboer?
Op een bepaalde manier wel‘, antwoordt ze. ‘Maar niet lang. Gelukkig niet lang.

 

51. De kinderen van Willem en Anna worden groter.

Aan het einde van de jaren zestig zijn Henk en Bart 18 jaar. Ze moeten bijna in militaire dienst. Henk denkt erover om daarna naar de visserij te gaan. Een mooi vrij leven, zegt hij. Bart daarentegen is sinds kort werkzaam op het gemeentehuis bij de afdeling burgerlijke stand. Irene gaat dit jaar naar de Mavo, de opvolger van de Mulo en kleine Cor zit nog op de Christelijke Opleidingsschool.

Intussen verandert de tijd in hoge mate. De democratisering slaat om zich heen en de seksuele revolutie heeft zich aangediend, zelfs in Katwijk. Dat merken Willem en Anna op een zaterdagochtend in juni als Willem op zoek is naar de vlag, die hij wil uitsteken ter ere van de verjaardag van Prins Bernhard.

De vlag staat in de kast op onze Henk zijn kamer‘, zegt Anna. Voorzichtig loopt Willem de kamer in. Het is nog vroeg en Henk slaapt uit. Niet te lang, over een uur zal hij Henk eruit gooien, maar nu mag hij nog even blijven liggen. Hij pakt de vlag uit de kast en draait zich om. Intussen werpt hij een blik op Henk die onverstoord doorslaapt. Maar tot zijn verrassing is het niet alleen Henk die daar slaapt. Willem knijpt zijn ogen eens dicht en doet ze dan weer open. Een meisje? Ja, het is overduidelijk. Bij Henk in bed ligt een meisje. Ze ligt dicht tegen hem aan, in de holte van zijn arm, met haar wang tegen zijn borst.

Willem verlaat de kamer sneller dan hij hem binnen is gekomen.

Een meisje!‘, zegt-ie tegen Anna.
Wat?’
‘Er ligt een meisje bij onze Henk in bed.’
Even zijn ze allebei van slag. ‘Hoe is het mogelijk!?’ zegt Anna. ‘Dat kan toch zomaar niet? Hij kan toch niet zomaar met een wildvreemde meid in bed gaan liggen? Onder ons dak? Hoe-ie dat dúrft.’
‘Het is de tijd Anna, de seksuele revolutie, noemen ze dat.’

Even later, als Willem in de keuken bezig is, komt ze opeens binnen. Het is een mooi meisje met lang donker haar in een staart en kuiltjes in haar wangen. Ze draagt een pyjamajas van Henk die tot halverwege haar dijen komt.
Ooh, ik kom de thee… eh.’
‘Ja, dit is inderdaad de kombuis‘, zegt Willem bijna als vanzelf.
Kombuis…? Ooh wacht eens, jij moet Willem zijn! Jij-end en jou-end en met uitgestrekte hand loopt ze op hem af. ‘Mieters, een échte zeekapitein.‘ Ondanks het vreemde van de situatie voelt Willem zich toch een beetje gevleid.
Ik ben Angela. Ik woon in Amsterdam. Dichtbij het Noordzeekanaal. Daar zie je soms ook van die grote schepen.‘ Ze draait zich om. ‘Waar kan ik de thee vinden?

‘Ze komt uit Amsterdam‘, zegt Willem even later tegen Anna in de kamer.
Amsterdam? Is Henk wezen stappen in Amsterdam? Ik dacht dat-ie gewoon naar de Lindeboom was. Je blijft met die jongen ook altijd wat meemaken.’
Later die dag zegt Anna tegen Henk: ‘Alles goed en wel, maar daar gaan we natuurlijk geen gewoonte van maken hè? Ben je nou helemaal gek geworden!?’

Henk belooft beterschap. Hij heeft Angela ontmoet in Noordwijk waar hij gisteren aan het stappen was. Ze wilde terug naar Amsterdam maar de laatste bus was al vertrokken. Dus nam hij haar mee naar huis. En ze is aan de pil, ook dat nog even tussen neus en lippen door.

‘Prima, maar niet meer hier in huis’, zegt Anna. Willem sluit zich daar bij aan. En dat is dat. De moderne tijd dient zich aan, maar het is wel wennen.

 

52. De jongens Bart, Henk en kleine Cor hebben

over speelgoed over het algemeen niet te klagen. Willem neemt regelmatig exotische spullen mee van zijn verre reizen. Toen de jongens nog kleiner waren nam hij bij zijn terugkeer uit Amerika speelgoedpistolen met pingpongballen als kogels mee en een echte pijl en boog uit Texas.
Na terugkeer van een andere reis had hij een heuse buks bij zich. Wat Anna de verzuchting ontlokte dat hij te veel wapentuig mee naar huis nam.
‘Je weet zelf hoe die gasten zijn. Ze doen er gevaarlijke dingen mee.’

En inderdaad, Bart en Henk waren niet te stuiten. Op de vroege zondagochtend beschoten ze vanuit hun slaapkamerraam de huizen in de buurt. De loden kogeltjes uit de buks maakten een mooi geluid. Vooral wanneer ze tegen dakgoten, regenpijpen en raampjes ketsten.
Sommige raampjes moesten het daarbij ontgelden, zoals enkele raampjes van de bovenverdieping van Drukkerij Wouda aan de Lijdweg. Wie goed keek zag een hele rij gaatjes in de kozijnen en verspreide glassplinters. De baas van de drukkerij meldde zich op maandagochtend tamelijk verbolgen aan de deur van de familie Duinen. Wie dat gedaan had, vroeg hij op hoge toon. Anna wist van niets. Op zondagochtend om zeven uur lag zij nog te slapen, dus zij had niets gehoord. ‘Maar ik kan me voorstellen dat de jongens met hun buks aan de gang zijn geweest’, zei ze. De jongens kregen een standje, de buks werd ingeleverd en het glas van de raampjes werd betaald. Vanaf dat moment bracht Willem geen wapentuig meer mee vanuit het buitenland.

Jaren later ontvingen Irene en kleine Cor weer andere zaken, uit Australië, China en Japan, waar Willem aan het einde van de jaren zestig op voer. Uit China een wit borstbeeldje van de grote leider Mao Zedong met daaronder het Rode Boekje in het engels en uit Australië een boemerang en een namaak koalabeertje. Halverwege zijn reis stuurde hij uit Japan een magische ansichtkaart waarop een geisha stond die knipoogde wanneer je de kaart heen en weer bewoog. Cor nam de kaart mee naar school waar iedereen het wonder ademloos aanschouwde. Verder kwamen er puzzels, elektrische auto’s en een speelgoed vliegtuig dat lichtknipperend naar de startbaan taxiede. Allemaal spullen die in de Katwijkse speelgoedwinkels nog lang niet te krijgen waren.

Maar nu zijn de oudste twee het speelgoed van hun vader inmiddels ontgroeid. Ze zijn beiden rijp voor een meisje en een brommer. Henk pelt al jaren bollen en Bart heeft een bijbaantje in een supermarkt. Daarmee bekostigen ze voor een deel hun laatste aanwinst: een Puch met een hoog stuur voor Henk en een Zundapp voor Bart. In de gang ruikt het naar benzine, want de dingen lekken nogal eens. Maar de brommers zien er geweldig uit en hebben een heel andere uitstraling dan de Solex waarmee opa Hendrik Boomakkers rijdt.

Irene en kleine Cor zijn te jong voor brommers. Zij moeten nog fietsen. Of lopen. En ze zien hun opa Hendrik regelmatig op de bok van een trouwkoets van Stalhouderij Verdoes zitten. Als opa, voor een bijverdienste op de bok zit, knipoogt hij naar zijn kleinkinderen. Soms draait de bruid in de bruidskoets haar raampje open enDuinen 52 -Bazooka-kauwgom gooit zij een klein zakje bruidssuikers naar buiten. Die deelt Cor dan met zijn vriendjes in de straat, ieder één bruidssuiker. Het is het enige snoep dat hij eet die week. Met uitzondering van het stroopsoldaatje dat op zaterdag koopt in het snoepwinkeltje van Marie de Roode naast de Nieuwe Kerk. En een pakje Bazooka-kauwgom. Dat is dat. Alles is nog overzichtelijk. Maar de zeventiger jaren staan voor de deur.

 

53. Willem Duinen is nog altijd lang van huis,

maar wordt tegenwoordig wel sneller afgelost. Hij is hooguit vijf maanden weg. Dan komt hij weer met verlof. Zijn plan om loods te worden heeft hij niet doorgezet. ‘Dat moet je maar net leuk vinden’, zegt hij als men er naar vraagt.
Nee, Willem blijft gewoon op zee. Daar hoort-ie. Maar tegen zijn zoon Henk, die tegenwoordig meevaart op een trawler om te kijken of het vissersleven hem wat lijkt, zegt hij: ‘Man, neem toch een baan op de vaste wal, dat is veel beter. Het leven op zee, daar moet je tegen kunnen.’ Maar Henk is eigenzinnig en trekt zijn eigen plan. Hoewel zijn ietwat wispelturige karakter verraadt dat hij het waarschijnlijk niet lang zal volhouden op zee.

Willem heeft de afgelopen jaren enkele jaren op de houtvaart gezeten. Op een klein vrachtschip, eerder een uit de kluiten gewassen coaster van zo’n 2.000 brutoregisterton, vaart hij als eerste stuurman heen en weer naar Finland. Een jaar later voor dezelfde rederij naar de Middellandse Zee.
Anna spelt de scheepvaartberichten in de krant. Zo kan ze de reis van dag tot dag volgen. Elke drie weken ontvangt ze een lange brief die ze vervolgens aan tafel voorleest. In oktober 1973 breekt de Jom Kipoeroorlog uit, Egypte en Syrië vallen Israël aan. Precies op dat moment  ligt Willem met de Auriga, waarop hij als eerste stuurman vaart, in de haven van Haifa.

Irene en Cor schrikken van het gezicht van Anna, die zojuist de krant zit te lezen.
Je vader zit in oorlogsgebied’, zegt ze somber. Irene en Cor kijken verbijsterd op de voorpagina van de krant, waar de zojuist begonnen oorlog uit de doeken wordt gedaan.
Komt papa nog wel terug?’ vraagt Cor angstig.
Hiero!’, roept Irene hard, ‘wat is dat nou voor een vraag! Natuurlijk komt-ie terug. Ze moeten daar gewoon heel snel wegvaren.
Anna glimlacht, maar niet overtuigend. De zorg is van haar gezicht af te lezen. Maar in een brief die Willem een week later stuurt, schrijft hij dat het allemaal niet zo vaart zal lopen. Israël is aan de winnende hand, aldus Willem. En inderdaad, de Jom Kipoeroorlog is snel voorbij.

Een jaar later vaart Willem met een klein vrachtschip naar Zuid-Oost Azië, nu weer als kapitein. Het schip brengt een groot aantal waardevolle spullen naar de Oost. Onder in het ruim staan onder meer containers met dure audioapparatuur, naast een tiental gloednieuwe Mercedessen. De boot vaart om Kaap de Goede Hoop heen. Onderweg wordt nog een haven aangedaan om te bunkeren, maar dan stoomt het schip in één lijn door naar India.

Op een zonnige ochtend in het voorjaar gooit de postbode een brief in de brievenbus. Anna zit met Irene en Cor aan het ontbijt.
Aaah’,  roept ze al in de gang. ‘Een brief van papa!
Irene en Cor springen allebei op. Nieuws van zee! Het is altijd weer een mooi moment wanneer er een paar van die lichtblauwe velletjes uit de luchtpostenveloppe komen, waarop de fraaie sierlijke letters van hun vaders handschrift prijken.
Anna neemt nog gauw een stukje brood met kaas en scheurt de brief open. Voordat ze de brief voorleest, leest ze altijd een paar regels zelf. Dan lacht ze meestal. Maar nu is dat anders: haar gezicht betrekt en haar hand begint te beven.

Wat is er mam?’ vraagt Irene. Anna hoort het niet. Steeds opnieuw lees ze die eerst twee regels van de brief, alsof ze maar niet goed willen doordringen…

 

54. ‘Lieve Anna en kinderen,


Jullie moeten niet schrikken, maar ik zit momenteel te schrijven op een hotelkamer in Kaapstad. We hebben schipbreuk geleden…’We hebben schipbreuk geleden voor de kust van Zuid-Afrika. Terwijl ik lag te pitten is het schip op de rotsen gevaren en gezonken. Hoewel we nog niet weten wat er precies is gebeurd, vermoeden we dat de tweede stuurman, die de wacht had, niet doorhad dat we te dicht onder de kust voeren. Daar zitten dus verraderlijke rotsen onder het wateroppervlak. Er was geen ontkomen aan dat we zouden zinken. We hebben meteen alarm geslagen bij de kustwacht. Die heeft twee helikopters gestuurd. Het schip zonk gelukkig langzaam, zodat we allemaal de tijd hebben gehad om van boord gehaald te worden. Ik ging als laatste, maar toe ik eenmaal in de helikopter zat en dacht dat ik alles bij me had, kwam ik erachter dat ik mijn gouden horloge op de wastafel had laten liggen. “I want to go back”, riep ik. “My watch!” Eerst verklaarden ze me voor gek. Ik mocht niet terug. Maar uiteindelijk gaven ze me toch toestemming. Die lui zijn niet echt moeilijk. Ik werd dus weer aan dek gezet en ben teruggegaan. Het water stond al tot kniehoogte in mijn hut. En ja hoor, mijn horloge lag er nog. Ik dacht nog: misschien zijn ze wel weggevlogen. Maar de heli hing er nog.

Duinen 53 - Kaap de Goede Hoop vanaf Capepoint
Kaap de Goede Hoop

Het schip was reddeloos verloren, het is daarna binnen een uur gezonken. Ze moeten het gaan bergen, het ligt gelukkig niet diep. Nu zit ik in een hotel hier in Kaapstad. Ik moet van alles gaan regelen. Overleg met de rederij, de havenautoriteiten en de verzekeringsmaatschappij. We moeten de lading als verloren beschouwen, denk ik. Al met al heel veel gedoe. Maar we leven nog! Gelukkig! We leven nog. Daar moeten we dankbaar voor zijn. Ik denk dat ik eerder thuis zal zijn deze reis. Misschien volgende week al. Nou, als jullie meer willen weten, moeten jullie met de rederij bellen. Daar weten ze alles, ook de laatste stand van zaken.

Groet en kus, Willem

Met Boomakkers’ zegt Hendrik dezelfde ochtend, nadat hij de telefoon heeft opgenomen. ‘O, hallo Anna. Wat is er? Wat zeg je!? Schipbreuk? Willem?
Marie staat op en loopt naar haar man die nog steeds als verdoofd met de telefoon in zijn hand in de gang staat. Hun schoonzoon heeft schipbreuk geleden. Maar het belangrijkste is, zegt Marie al gauw, dat hij het er levend van af heeft gebracht. Want hoeveel Katwijkers zijn er daarentegen wel op zee gebleven? Als je dat zou tellen, door de jaren heen. Nee, dan mag Willem nog in zijn handjes knijpen.

’s Avond komt Gerrit Zuijderduijn met zijn vrouw bij Anna op bezoek.
Die Willem toch’, zegt Zuijderduijn met kameraadschappelijk tederheid in zijn stem. ‘Ik zeg welderis: hij heb een beschermengeltje bij ’em. Maar ik zeg ook vaak genoeg dat hij beter een baan aan de wal had kenne kiezen, nes ik.’

Een week later staan Anna en Gerrit op Schiphol. Anna is er met haar Opel Kadett naar toe gereden. Hier en daar zitten al wat forse roestplekken, maar zolang het ding nog rijdt, moet het maar. Ze parkeert het blauwe wagentje voor de aankomsthal en gaat met Gerrit naar binnen.
Daar hè je onze schipbreukeling’, zegt Gerrit als hij zijn vriend met twee koffers ziet aankomen.
Anna stormt op hem af. ‘Oooh lieverd!’ is het enige wat ze kan uitbrengen als ze hem om de hals valt.

 

55. ‘Je kan zo meedoen met ons,
we willen je graag in het bestuur hebben. 

Jij hebt pit en je weet wat je wilt. Altijd handig zo’n iemand erbij.
De hippie met de lange haren en de ronde bril kijkt afwachtend naar Irene Duinen. De anderen om hem heen knikken.
Ja’, zegt iemand. ‘Je hebt goed meegeholpen om ons centrum op te richten en nou willen we je graag in het bestuur, Irene.

Irene staat op en loopt naar de krat met bier, waaruit ze een biertje tilt en in één beweging ontkurkt. Daarna draait ze een shaggie en steekt die op.
Ik weet het niet jongens’, zegt ze. ‘Ik ben meer een doener, geen bestuurder. Ik bedoel, dan moet ik ook gaan vergaderen, en ik weet niet of ik daar zin in heb.
Gezellig toch?’ roept een van de andere hippies in de ruimte.

duinen-55-mallegat
Wethouder Bergman (rechts) opent Open Jongerencentrum ’t Mallegat aan de Voorstraat.

Het is 1975. Aan de Voorstraat is in het voormalige postkantoor het Open Jongeren Centrum ’t Mallegat geopend en Irene Duinen, 19 jaar oud, heeft zich intensief met die opening bemoeit. Willem en Anna Duinen hebben er zo hun vraagtekens bij. Wethouder Bergman sprak bij de opening over voornamelijk linkse jongeren, en dat zinde Willem en Anna niet. Want hoewel ze beiden best ruimdenkend zijn, voor links willen ze liever niet versleten worden. Als het nou een christelijk centrum was, dan kon het er nog mee door. Maar dit…

Voor Irene hoeven Willem en Anna er niet achter te staan. Ze zit op de Sociale Academie en daar is de linkse manier van denken de enige juiste manier van denken. Daar is geen twijfel over mogelijk. De maatschappij moet veranderen, en van haar ouders verwacht ze nou eenmaal niet dat ze op de barricaden gaan staan.
Sinds haar puberteit heeft Irene thuis de nodige aanvaringen gehad, veroorzaakt door haar maatschappelijke stellingname. Heel anders dan haar oudere broers Bart en Henk, die zich successievelijk aan de burgerlijke manier van leven hebben aangepast. Bart is keurig ambtenaar geworden op het gemeentehuis en Henk zit op de visserij. Hij woont in een zomerhuisje aan de Rijnmond en gaat zich binnenkort verloven.
Dat is allemaal niks voor Irene. Zij gaat liever in een commune wonen. Al gauw is ze ook bij allerlei protesten betrokken. Zo doet ze op zondag 7 juni 1970 mee aan het kraken van zwembad Miereweide om het bad voortaan op zondag open te krijgen.

En dan ’t Mallegat. Dat is haar plek. Irene voelt zich er thuis. ‘Ga toch naar een leuke kerkelijke sociëteit’, heeft Anna al diverse keren tegen haar gezegd. Maar Irene haalt haar schouders op. ‘We hebben heel veel strijd moeten leveren om het allemaal voor elkaar te krijgen hoor‘, zegt ze. ‘Ik heb meegeholpen om het oude postkantoor om te toveren tot jongerencentrum. Dat hebben we allemaal met onze eigen handen gedaan. Die wethouder Haasnoot zei dat wij jonge, onervaren lieden waren. Nou, daar kijkt-ie dan nou mooi van op. Ze zijn zelf incapabel daar op het raadhuis.
Inca… wat?‘ vraagt Anna.

Op een ochtend wordt Anna gebeld door een omwonende uit de Zuidstraat, ene Corrie Bonenkamp. Anna kent haar nog wel van vroeger.
Weet je dat jouw dochter ook in t’ Mallegat komt‘, zegt Bonenkamp met een stem alsof er een vreselijk ongeluk is gebeurd.
Ja, dat weet ik.
Mens, hoe ken je dat laten gebeuren. Het is Sodom en Gomorra daar. Het is verschrikkelijk, die herrie. Alsof de hel is losgbebarsten. Het is toch vreselijk dat jouw dochter daar aan mee doet. As het mijn dochter was!

Anna is verbijsterd. Even weet ze niet wat ze terug moet zeggen.

 

56. ‘Ik geloof niet dat er veel kwaad in schuilt‘,

… zegt Anna. ‘De tijden veranderen nou eenmaal, Corrie.‘ Het mens aan de andere kant van de lijn valt compleet stil.

Aan Willem schrijft Anna: ‘Ik weet niet wat ik ervan zeggen moet, Willem. Ik denk dat ik zelf ook maar de moeder-Mavo ga doen of een cursus pottenbakken. Omdat dat creatief is, zegt onze Irene. En als ik zeg dat ik al brei en haak, ook erg creatief, dan zegt ze dat pottenbakken anders is. Pottenbakken is iets maatschappelijks of zoiets. Het is allemaal anders geworden, maar ik vind de tijd nog steeds leuk. Om me heen doen ze of de wereld vergaat, maar ik denk: eindelijk gebeurt er eens wat. En het een hoeft het ander toch niet uit te sluiten?’

Intussen wordt Irene verder opgeslokt door ’t Mallegat. Er is geld nodig om het gebouw geschikt te maken voor allerlei activiteiten, maar dat blijkt geen sinecure. Verder moet ze steeds aan Willem en Anna uitleggen dat ze geen drugs gebruikt. En ze zegt ook dat het gebruik van drugs niet zo erg is als altijd wordt gezegd en gedacht. Maar daar raken Willem en Anna niet van overtuigd. En Anna rookt heus wel eens wat, maar laat zich er verder niet over uit.
Ze wil niet provoceren, iets wat de mensen om haar heen soms wel doen. En de overdreven linkse koers die ’t Mallegat na het aantreden van Theo/Tejo Janssens als voorzitter wil gaan varen, staat haar tegen. Is dat marxisme wel zo goed als wordt beweerd, vraagt ze zich openlijk af. Er volgen veel discussies, avond aan avond. Een ook thuis bij Willem en Anna begint Irene regelmatig te discussiëren over het marxisme, het kapitalisme en het consumentisme. Irene is het linkse geweten van de familie Duinen.

In Amerika pakten ze mensen zoals jullie op‘, zegt Willem een keer. En dan vertelt hij hoe hij aan het einde van de jaren vijftig in de haven van New York een keer bezoek kreeg van een aantal officials die hem als kapitein in vertrouwen vroegen of er communisten aan boord waren. ‘Ik wist dat er een bemanningslid was met communistische sympathieën, maar ik weigerde hem te verlinken.
Irene is alsnog met terugwerkende kracht verontwaardigd. ‘Amerika, dat is het allerergste land ter wereld!‘ roept ze verbeten. ‘Zij zijn begonnen in Vietnam.’
‘Ja ja’, zegt Willem knikkend. ‘En de Russen hebben natuurlijk niks gedaan.
Maar wat vind je dan van Katwijk, pap?‘ vraagt Irene. ‘Hier is het grootkapitaal aan de macht. En daardoor worden al die mooie oude panden gesloopt.’

Mooie oude panden?’ vraagt Anna oprecht verbaasd.
Ja, ze slopen hier alles uit het verleden. Nou zijn er ook al plannen om het Gast- en Weeshuis te slopen…

duinen-56-sloop-gast-en-weeshuis
Sloop van het Gast- en Weeshuis.

Er gaat een schok door het gezin. Willem verstart. ‘Het weeshuis?
Ouwe troep, zeggen ze.’
Anna gaat rechtop zitten. ‘Het Gast- en Weeshuis? Dat gaan ze toch niet echt doen?
Irene kijkt spottend opzij. ‘O nee? Moet je eens opletten wat al die reactionaire types hier doen. Die slopen de hele boel of het niks is.
Ja, maar het Weeshuis, dat is toch…? Dat kan toch niet…?
Pap, ze zijn er echt over bezig hoor. Ik heb het uit de eerste hand.

Willem zwijgt. Hij zal het moeten aanvaarden. Maar echt geloven kan hij het nog niet.

 

57. ‘Weet je dat ze gewoon half Katwijk platgooien,

die christelijke partijen?‘ zegt Irene op een avond. ‘Zogenaamd voor de dorpsvernieuwing, maar het is niet meer dan vanuit een minderwaardigheidscomplex. Ze schamen zich voor het Katwijkse verleden, voor de visserij en voor de armoe. Het moet allemaal modern. En dan lekker vroom lullen dat er in dit leven niks voor de eeuwigheid is.

‘Kind toch!‘ roept Anna.
Maar Irene trekt zich niks van haar moeder aan. ‘Met die smoes kenne ze lekker al die prachtige gebouwen tegen de vlakte gooie, met die schijnheilige christelijke uitgestreken smoelwerken.
Irene, houd op!‘ roept Anna nu. ‘Je gaat te ver. Ik wil dat je nu je mond houdt.’

Irene luistert niet. ‘De Zuidstraat, het Noordeinde, de Tramstraat, de Loggerstraat, het Waaigat, wat blijft er dan allemaal van over?’
‘Het is nodig‘, zegt haar broer Bart, die op het gemeentehuis werkt, op wijze toon.
Ach joh, lazer op’, brult Irene. ‘En dan nou het Gast- en Weeshuis… Ook tegen de vlakte. Een stuk geschiedenis zomaar naar de klote.’
‘Let op je taal!‘ roept Anna.
Ouwe rommel‘, zegt Bart, nog altijd opvallend rustig. ‘Wat moet je ermee? Er komen straks allemaal mooie bejaardenwoningen.
Pap, zeg jij nou eens wat!‘ zegt Irene. ‘Jij vindt dat toch ook erg? Jij hebt notabene zelf nog in het Weeshuis gezeten.
Willem Duinen knikt. ‘Het is eeuwig zonde’, zegt hij. ‘Maar ja, wat doen we eraan?
Wat doen we eraan!? Protesteren natuurlijk.

En zo gaan de discussies thuis maar door. Willem en Anna voelen zich klem zitten tussen hun loyaliteit met de politiek, die ‘het beste met hen voorheeft’ en de progressieve insteek van hun kinderen die meer belang hechten aan de geschiedenis van hun woonplaats dan zij zelf ooit hebben gedaan.
Uiteindelijk helpt het niet. De gemeente zet de plannen door en enkele maanden later begint de sloop van de twee statige panden aan de Voorstraat. Het is een verloren strijd gebleken.

Als het gebouw al half is gestript gaat Willem samen met Irene en Cor binnen in het weeshuis nog eenmaal een kijkje nemen. Nostalgisch en weemoedig dwaalt Willem door de gangen van het pand. Cor, die een hamer en een beitel heeft meegenomen, probeert nog te redden wat er te redden valt.

duinen-58-tegeltjesEr zitten van die mooie blauwwitte tegeltjes in de badkamers, pap‘, zegt hij. ‘Die kan ik nog redden. Ik timmer ze er voorzichtig uit. Dan hebben we die tenminste nog.’
‘Maar Cor, daar kunnen we toch niks mee?‘ zegt Willem.
Je weet nooit waar het goed voor is.

Even is er alleen maar het getik van een hamer op een beitel hoorbaar. Irene staat in de regentenkamer en kijkt naar de plek waar eens de fraaie groene schouw van Jesse zat, maar die nu is verdwenen. Haar vader is verdwenen. Ze kijkt om zich heen en loopt de centrale hal in.
Pap, waar ben je? Pap!?’
Hier, hier ben ik!‘, klinkt het van boven.
Irene loopt door de berg puin over de hal naar de trap en gaat naar zolder. De wind waait door de open gaten van het dak. Haar vader staat aan de voorkant van de zolder naast een balk. Zijn ogen zijn vochtig. Hij staart over de huizen aan de overkant, naar het Mallegat, de oude pastorie, de Nieuwe Kerk. Het zal, met uitzondering van de kerk allemaal plaats moeten maken voor de broodnodige vernieuwing.
Pap, wat is er?‘ vraagt Irene.

 

58. Willem schraapt zijn keel.

‘Ik… eh… kijk of ik nog iets kan vinden van wat ik vroeger in een balk heb gekerfd.‘ Hij speurt de balken af. Dwars door de gaten in het dak dringt het verkeersgeluid van buiten door. Opeens roept Irene haar vader. ‘Hier pap, hier staat iets in gekerfd. Het lijkt op letters, een ‘N’ en een ‘L’ zie ik.

Willem kijkt naar wat zijn dochter zojuist ontdekt heeft.
NELIE staat er‘, zegt hij. Ze ziet dat hij ontroerd is.
Dat is toch dat meisje met wie je vroeger in het weeshuis zat?‘ Hij knikt en realiseert zich dat het lang geleden is. Irene besluit niets meer te vragen. Ze kent het verdere verhaal.
Maar dan zegt Willem: ‘Ja, ik was verliefd op haar. Tot over mijn oren was ik verliefd op haar. Ik kende je moeder nog niet. Het gekke is nou juist dat ik me pas veel later realiseerde dat ik verliefd op haar was. Dat het verliefdheid was.

Opeens ziet hij voor zich hoe hij voor het eerst naar zee ging en door iedereen uitgezwaaid werd. Hoe hij shag van de weesvader en -moeder kreeg. En hoe Nelie van der Plas hem een paar nieuwe sokken toestopte. ‘Die zal je nodig hebben op zee‘, zei ze blozend. Willem schudt het hoofd. Dat is al bijna 50 jaar geleden. Waar blijft de tijd?
Ze zwijgen.
Irene is verbaasd over haar vaders openhartigheid. Dan zegt ze:’Zo gaat dat pap.
Ja kind, zo gaat het.

Precies op dat moment horen ze het gekletter van een stapel tegeltjes en het getier van Cor.
Ze zijn op de grond gevallen’, zegt Cor. ‘Nou ja, ik heb toch twee dozen met tegeltjes, de meeste zijn nog wel goed. Misschien kunt u er iets moois van maken, pap?’
‘Ik kan een kapstok timmeren waarin ik ze verwerk‘, zegt Willem na enig nadenken.
Ja, zoiets. Dat zou te gek zijn, pap.
Wat zeg je nou? Te gek?’
‘Ja, te gek. Het is te gek. Dat betekent dat het geweldig is!’
‘Al dat nieuwe taalgebruik kan ik niet zo goed volgen. Daarvoor ben ik soms te lang van huis.’
‘Geeft niet pap.’

Daarna gaan ze naar huis, Willem voorop met een doosje met tegeltjes, daarna Irene en achteraan Cor, ook met een doosje in zijn armen. Cor vraagt tussendoor of het eigenlijk wel mag van de politie, het meenemen van tegeltjes uit een slooppand. En Willem antwoordt dat alleen zij dat mogen doen, omdat hijzelf ooit in het weeshuis heeft gewoond. ‘Dus wij mogen alles‘, zegt hij. Irene en Cor lachen.

Maar als ze thuiskomen en de doosjes in de gang hebben neergezet, komt Anna met een bedrukt gezicht op hen af. ‘Wat is er?‘ vraagt Willem meteen. Hij kent zijn vrouw en ziet dat ze slecht nieuws heeft.
Mijn moeder belde net, mijn vader is naar het ziekenhuis gebracht. Waarschijnlijk een beroerte.‘ Ze schrikken. Opa Boomakkers, altijd zo sterk en fier, nu opeens in het ziekenhuis.
Wat is een beroerte?‘ vraagt Cor.
Dat is iets met je hersenen’, zegt Irene. ‘Je kan d’r verlamd van raken. Maar opa niet, die komt er heus wel bovenop. Ja toch?
Ze kijkt angstig naar Anna.
Ik help het je hopen, kind.

Moeten we er niet naar toe?‘, vraagt Willem.
Anna knikt. Ze trekken hun jassen aan en gaan met de Opel Kadett naar het Diaconessenhuis.

 

59. Hendrik Boomakkers heeft een beroerte gehad

… en is halfzijdig verlamd. Gelukkig kan hij nog veel zelf.
Het is drie maanden later. Hij zit voor het raam en zwaait naar de mensen die voorbij lopen, vaak nog klanten van vroeger, toen hij de groentewinkel nog had. Marie Boomakkers verzorgt hem, met hulp van Anna en Alie, de zuster van de kruisvereniging. Ze komt elke dag langs om hem te wassen en om hem te helpen bij de toiletgang en bij het naar bed gaan.

‘Ik vind het vervelend dat ik jullie zo tot last ben‘, zegt Boomakkers. ‘Vader, dat spreekt toch vanzelf!‘ zegt Anna een beetje verontwaardigd. ‘Je denkt toch niet dat we je links laten liggen? Hoe kan je dat nou denken!
Hendrik haalt zijn schouders op. ‘Nou ja, geef me dan maar weer een pruimpje‘, zegt hij. Anna pakt het puntzakje BZK, opent het en houdt het hem voor. Met zijn goede hand haalt Hendrik er een dot pruimtabak uit.
BZK moet staan op het pakje‘, zegt hij opeens. ‘Onder Louis Dobbelmann. Ik raak nooit geen pruimtabak meer aan, als er niet de gekroonde moren duidelijk op getekend staan.’
Ze lachen. Ja, het oude rijmpje van de pruimtabak kennen ze nog. Anna pakt de kwispedoor, in de vorm van een leeg potje Buisman, en zet het in de vensterbank.
Mooi meid, ik kan weer pruimen‘, zegt Hendrik.

Het is zwaar‘, zegt Marie later tegen Anna in de gang. ‘Maar we zijn er altijd gekomen, dus dat zal nu ook wel weer. Van de week zei iemand: hij moet naar een verpleeghuis. Maar daar wil ik niet van weten. Ik ga hem niet wegstoppen in een verpleeghuis.
Anna knijpt haar ogen even dicht. ‘Het komt wel goed, moe‘, zegt ze.
Mooi kind, bedankt. Wanneer komt Willem weer thuis?’
Volgende week donderdag.’
‘Dan alweer? het zijn korte reizen hè?’
‘Ja, twee weken weg, en dan weer een week thuis.

Willem vaart weer op Finland, op de houtvaart. Het zijn inderdaad korte reizen van zo’n twee weken. Hij vaart van Rotterdam naar Turku, de zuidelijke havenplaats in Finland. Ze gaan door het Kielerkanaal en dan via de Oostzee. Na Turku gaat het schip naar het noordelijker gelegen Mäntyluoto en vandaar wordt er, volbeladen met hout, weer teruggevaren naar Nederland.
Het zal niet zo lang meer duren of Willem gaat met vervroegd pensioen. Maar voorlopig vaart hij nog. En als hij thuis is, klust hij graag. Inmiddels is hij ook begonnen aan een kapstok, waarin hij de tegeltjes van het weeshuis zal aanbrengen. Als herinnering aan zijn jeugd.

 

60. Willem Duinen is eerste stuurman

… en dat betekent dat het voor familieleden mogelijk is af en toe, met goedkeuring van de rederij, mee te varen. De eerste mogelijkheid dient zich aan tijdens de kerstvakantie. Dan gaan Anna en Cor mee.
Cor zit op de Chr. Scholengemeenschap Havo/Atheneum aan de Frederikdreef, de voorloper van het Pieter Groen College. Die naam wordt wel voorzichtig al genoemd, maar zeker is het nog niet. Cor heeft altijd wel over het reizen op zee gehoord van zijn ouders, en hij kwam ook weleens aan boord wanneer het schip in de haven lag, maar een reisje meevaren… nee, dat zat er nooit in.
Het schip, M.S. Altair, vertrekt op de eerste dag van de kerstvakantie vanuit Rotterdam.

duinen-60-altair
M.S. Altair.

Anna verblijft in de hut van Willem, Cor krijgt een eigen hut. Tegenover zijn hut zit de deur naar de machinekamer, een grote ruimte met een wirwar aan trappen, stalen railings, stampende machines en een indringende lucht van olie. Om maar niet te spreken van de warmte die er heerst. Soms gaat Cor er even kijken en als de machinist/werktuigkundige iets tegen hem zegt, kan hij het nauwelijks verstaan, door de enorme herrie van de machines.

De eerste avond op de Noordzee is er behoorlijk wat deining waardoor het schip stampt en slingert. Maar in de duisternis is maar weinig van de zee te zien. Wel zien ze Katwijk in de verte. Tenminste, dat moet je wel weten, want ’s avond lijkt als op elkaar.
‘Dat zwaailicht is de vuurtoren van Scheveningen’, zegt Willem. ‘Nou, dan weet je dat Katwijk daar ligt.’ Hij wijst.
‘Ga maar lekker vroeg naar bed, jongen’, zegt Anna. Ze aait hem over zijn hoofd.
Cor glimlacht. ‘Ik wilde graag een storm meemaken, en nu stormt het.’
‘Nou, storm…’
zegt Willem. ‘Het valt wel mee. We stampen wel wat, maar het kan nog veel erger.’ Hij lacht en kijkt naar zijn jongste kind, amper 15 jaar. Misschien zal hij ooit in zijn voetsporen treden. Wie zal het zeggen?

Cor gaat naar bed, maar hij kan maar moeilijk slapen. Hij rolt telkens van links naar rechts en raakt dan de houten railing van zijn kooi. Het water spat af en toe tegen de patrijspoort. Cor glipt uit bed en opent het. Meteen voelt hij de wind en ziet hij hoe het zwart glinsterende water met grote snelheid langsglijdt. Nu zie je pas goed hoe snel het schip vaart. Uiteindelijk valt hij toch in slaap.

De volgende morgen dringt de lucht van koffie en eieren met spek al door tot in Cors hut. Hij wast zich, kleedt zich aan en loopt naar de hut van Willem en Anna. Het schip stampt nog steeds, en buiten is te zien hoe de zee onrustig beweegt en het schip eerst optilt en dan weer laat zakken. Als Cor door de gang loopt, krijgt hij een vreemd weeïg gevoel in zijn maag.
‘Je moet wat eten’, zegt Willem. Ze gaan met z’n drieën naar de ‘messroom’, waar al enkele officieren zitten. Aan de andere kant van de kombuis is de messroom voor de matrozen, allemaal van Spaanse of Portugese afkomst. Jorge, de Portugese bediende, zet Cor lachend broodjes voor. Daarna plaatst hij een bord met eieren en spek op tafel, bestemd voor tweede machinist Dijkema. Die begint met smaak te eten.
Cor voelt hoe zijn maag zich omdraait en dat er iets in hem is wat een weg naar buiten zoekt.
Neem ook eieren met spek, da’s lekker’, zegt Willem tegen zijn zoon. Maar Cor is al opgestaan en weggerend.

 

61. Cor brengt de hele dag in bed door

… waar hij zo nu en dan uit kruipt om in het toilet over te geven. Willem denkt terug aan zijn eigen eerste reis, en de eerste storm waarbij ouwe Bram Plas overboord is geslagen en verdronk. Hij was zelf nauwelijks zeeziek die reis. Hij was alleen maar misselijk van de shag die hij moest gaan roken.

Pas aan het einde van de middag laat Cor zich weer zien. Hij verschijnt op de brug waar zijn vader nu wacht loopt. Op de brug is het een stuk stiller dan in de machinekamer, een verschil van dag en nacht. Cor ziet nog wat bleekjes, maar voelt zich alweer wat beter. De zee is ook kalmer geworden. Cor kijkt geïnteresseerd naar de radar die alle schepen in de buurt laat zien. Aan het roer staat een matroos, die de orders van Willem opvolgt. Soms zegt Willem iets als ‘ten port‘ of ‘five starboard’.

Willem draagt geen uniform, maar een gewoon overhemd. Zijn uniform zal wel voor officiële gelegenheden zijn of voor in de haven.
Zo, ben je weer wat opgeknapt?‘ vraagt Willem. Hij aait Cor over zijn bol.
De jongen knikt. ‘Wanneer zijn we in Finland?’ vraagt hij.
Overmorgen. We zijn vandaag door het Kieler Kanaal gegaan. Daar heb je niks van gemerkt want je lag in je kooi.

Bij het avondeten heeft Cor flinke trek. Ze eten kapucijners, speklappen, gebakken uien, aardappelen en pannenkoeken toe. De Spaanse kok heeft een voedzame maaltijd op tafel gezet. Na het eten brengt Cor de avond door bij de Spaanse en Portugese matrozen die hem allerlei dubieuze woorden leren.
De volgende dag brengt Cor afwisselend door aan dek, op de brug of lezend in zijn kooi. De ochtend daarna is het rumoer van het zeewater plotseling afwezig. Buiten ziet Cor dat het schip door een enorme ijsvlakte vaart. En voor de Altair uit vaart een ijsbreker, het lijkt wel of ze over land worden voortgetrokken. Ze naderen de haven van Turku. Maar tot kilometers uit de kust ligt er ijs.
Vreemd gezicht hè?‘ zegt Anna. ‘Je kan nou echt merken dat we in het hoge noorden zijn.

Als het schip eenmaal is aangemeerd in de haven van Turku gaan Anna en Cor van boord. Ze zijn beiden goed aangekleed, Anna draagt een dikke bontjas en Cor zijn wollen winterjas. Ze gaan de stad in. Daarbij passeren ze het slot Abo en een kerk die geheel uit gladde vuurrode bakstenen is opgetrokken. Anna maakt foto’s met haar Clack die het nog altijd goed doet.
Mam’, zegt Cor opeens tegen zijn moeder. Ze kijkt hem afwachtend aan. ‘Ik vind dit de leukste vakantie uit mijn hele leven.’
Ik ook jongen‘, zegt ze lachend. Ze denkt terug aan haar reis naar de Middellandse Zee, samen met Willem. En met Jacques Nobels, de scheepsagent, met wie ze naar de piramides was geweest. Lang geleden alweer. Een mooie reis was dat. Maar deze reis is nog mooier. Omdat ze haar jongste kind bij zich heeft.

*****

Anderhalve week later zijn ze weer terug in Katwijk. Daar horen ze dat Hendrik Boomakkers ziek is geworden. Hij heeft longontsteking, maar komt er waarschijnlijk wel weer bovenop, zegt de huisarts. In de week erna verslechtert de situatie echter opeens. Coby, de vroegere winkelhulp, die de laatste tijd veel bij de Boomakkers over de vloer komt, tikt op 8 januari bij Anna op de voordeur.
Anna‘, zegt ze. ‘Je mot komme, ut loopt of.
Nee!‘, is het enige wat Anna kan uitbrengen.

 

Wordt vervolgd